De windbel een fragment


Ze moest haar woord gestand doen en hem ontmoeten op het eiland
waar hij zocht naar zwarte beesten. Daar op Bogildo zou ze hem
nog eens op het hart drukken dat de mensen hem in Yeosu een raar
verhaal verkocht hadden, en dat zij daar overmoedig als altijd
aan had meegedaan. Ze kende helemaal geen verhalen over zwarte
beesten, ze kende van school enkel vagelijk een legende over
blauwe vogels die leken op vliegende civetkatten. Die zouden zich
schuilhouden in de dichte wouden langs de zuidelijke kustlijn,
misschien zelfs op de eilanden, en als je ze ving en het verstan-
dig aanpakte, dan kon je zonder kommer en kwel wel vijfhonderd
jaar met je leven verder. Maar de behandeling om het juiste effect
te bereiken was een bewerkelijk procedé : de gevangen vogels in-
smeren, ze met hamers bewerken en nog zo het een en ander, en dat
allemaal volgens een legende. Ze was woedend op het kereltje dat
haar eigenaardige vreemdeling die onzin over zwarte beesten had
voorgespiegeld, en al moet een redelijk mens nooit geloven wat op
het eerste gehoor een legende lijkt, toch verachtte ze zichzelf
omdat ze eraan had meegedaan, bang om hem teleur te stellen. Zoals
ze al sinds jaar en dag bang was de mensen, vooral : de mannen,
teleur te stellen, onprettige gevoelens te bezorgen : daar moest
het eens mee afgelopen zijn. Ze hoefde zich niet langer door haar
broer in het gezicht te laten meppen, zich door vader en moeder te
laten opsluiten terwijl ze buiten op straat of aan de universiteit
en in de chatrooms of de virtuele werelden de stoere meid uithing.
Ze moest zich overgeven aan wat het minst mogelijk was, en opkomen
voor haar diepste emotie. Ze moest vechten voor wat warm kolkte rond
haar hart, wat het ook inhield en wat het ook opleverde. Nooit zou ze
de man kunnen behoeden voor wat hem te wachten stond, maar zij wilde
zich minstens verontschuldigen, hem eindeloos omhelzen, al was het maar
voor een paar dagen uitstel. Keer op keer probeerde zij die nacht haar
vriendin Jong-son met de telefoon wakker te treiteren. Ze fluisterde
dan op kibbeltoon : de slaapkamerdeur zat op slot, de schuifdeur naar
de veranda van het appartement, die toegang bood tot de woonkamer en
daarmee tot de voordeur, was ook geblokkeerd.
Een man te Brussel neemt geheime informatie mee naar kantoor, om
sjoemelend de wereld te bestieren. Een jonge vrouw met lange zwarte
haren koopt een pond biefstuk bij een van de slagerijen aan de poort
van het slachthuis te Anderlecht. Haar voorkeur gaat uit naar de vlees-
waren bij de Poolse handelaar, omdat die aanvoelen alsof ze thuis is.
Het leven beschikt over dusdanig bijzondere kwaliteiten dat een mens
voor hij het weet vergeet dat hij niet meer nodig heeft. Drie zakenman-
nen worden in het restaurant van hun hotel afgeluisterd door Emilie de
Clippele, terwijl haar blik op en neer glijdt over de trap die in het
midden van de zaak breed en sierlijk uitwaaiert. Doordat filosofisch
geschoolden veelzijdig inzetbaar zijn, werkt zij sinds enige tijd als
consultant bij een internationaal adviesbureau, een job die haar stukje
bij beetje van haar verleden vrijspreekt. Foto’s heeft ze verscheurd of
uit de computer verwijderd, en ze heeft nauwelijks nog last van die vre-
selijke ergernis over de traagheid van het politieonderzoek naar het ver-
dwijnen van die kerel, op den duur zegeviert ook bij haar de kalmte. Door
het aangaan van nieuwe dates schrijft zij zich langzaam af als de vrouw
die een paar gelukkige jaren beleefde met de zoon van een machinebankwer-
ker, waarbij ze moet bekennen dat ze de machinebankwerker nooit ontmoet
heeft, laat staan hem ooit aan de telefoon heeft gekregen. Voor hetzelfde
geld heeft de vader nooit bestaan, zoals ook stilaan het geval lijkt met
zijn zoon, van wie ze de naam niet per se wil onthouden. Iedereen die met
haar omgaat, vindt haar een vrouw van grote persoonlijke kwaliteiten, en
ze zijn dus allen van mening dat ze ruimschoots beter verdient.
Een kapsalon beschikt over nieuwe klanten, nieuwe medewerkers, zelfs een
nieuwe eigenaar die gauw een partij schilderijen met kitscherige katten
aan de muren hangt. Het plein met de crèmekleurige appartementsgebouwen
wordt opengebikt voor een algehele restyling waardoor lange schuttingen
uitkijken op het dagelijks passeren van de smoezelige kerel met de drie
Tervuerense herders. De bonsais in de straat die langzaam langs een vieze
serre opstijgt, beklemtonen dat de wereld onveranderlijk bijzonder is.
Het is geen ramp als mensen zich langzaam afwenden van Bas van Tongeren,
de man die in Seoul weleens passeerde door de brede onderaardse gang op
de eerste verdieping van een metrostation en zelf bonsaibomen de rug toe-
keerde, zoals zij samen met alle overige koopwaar van gepolijst gesteente
en inktschilderijen nauwelijks de herinnering bedwongen aan de bonsais in
de straat die langzaam langs een vieze serre opstijgt.

*

Dit fragment werd eerder ook gepubliceerd op ooteoote.