De windbel


Bas van Tongeren, hoofdpersoon van De windbel, is op de vlucht.

Is hij schuldig? Is hij onschuldig? Waar en wanneer begon zijn vlucht? Zoveel is zeker: in 2002 werkt hij in Seoul. Tevoren woonde hij enkele jaren in Brussel, maar zonder iemand wat te zeggen is hij vertrokken. In beide steden zijn liefdesrelaties pijnlijk misgelopen: herinneringen en duistere verlangens houden hem in de greep. En hij geeft niet op: voor nieuwe amoureuze mogelijkheden, opgeduikeld via internet, vertrekt hij naar de havenstad Yeosu. Hij beseft niet, dat hij zich daarmee in handen van Vrouwe Justitia begeeft – die zelf toevlucht neemt tot illegale middelen. Maar toch: op het eiland van een verbannen dichter biedt ze nog een sprankje hoop. Al moet je altijd goed uitkijken in de wouden…

In een minutieuze en beeldende stijl onderzoekt De windbel een verstoorde geest. Tegelijk leest deze nieuwe roman als een road movie, door Korea en virtuele werelden.

uitgeverij het balanseer

*

In De Leeswolf 2013/4 sprak Erwin Jans zijn oordeel uit. Drie citaten:

De nieuwste roman van Lucas Hüsgen geeft zich niet onmiddellijk prijs. Dat is meteen een van zijn kwaliteiten.

De windbel is een roman over een innerlijke en een maatschappelijke vervreemding. Hüsgen raakt in het verlengde daarvan het thema van de xenofobie aan, zowel in Korea als in Nederland (met een niet mis te begrijpen verwijzing naar de opkomst van Pim Fortuyn). Versnippering en verbrokkeling zowel in het hoofd van Bas van Tongeren als in de wereld waarin hij leeft. Hüsgen herschept die fragmentatie in zinnen die nu eens uiterst descriptief zijn en zich dan weer loszingen van iedere concrete realiteit. Zinnen die zich willen overgeven aan filosofische contemplatie, maar blijven cirkelen rond het zwarte gat van een erotische kwelling.
De schrijver weet op de juiste momenten de nodige informatie over het verleden van zijn hoofdfiguur in te lassen om te voorkomen dat de lezer zich verliest in het heen en weer tussen beschrijving en fantasie, tussen de metro in Brussel en de metro in Seoul, tussen Expo 58 en de wereldtentoonstelling 2012 in Yeosu, tussen erotiek en mystiek, tussen realiteit en virtualiteit. Precies deze dooltocht is het onderwerp van de roman, een voortdurende poging om te verdwijnen, om op te gaan in de brede stroom der dingen, om te ontsnappen aan de terreur van het bewustzijn en de identiteit.

In De windbel trilt zowel inhoudelijk als vormelijk iets van de verlorenheid en kwetsbaarheid van een moderne existentie, losgeslagen in de onmetelijkheid van wat de globalisering genoemd wordt. Tegelijkertijd geeft de roman ook een stem aan het vage humanistische verlangen naar een inzicht dat tot verlossing zou kunnen leiden.