BIOGRAFISCH


Geboren werd ik in 1960 te Weert.
De buurvrouw had een enorme boomgaard en kweekte konijnen; daarnaast woonde een meneer met tuinkabouters in de voortuin. Hij oogde altijd streng.

Ik verhuisde (naar de streken rond het Philipsstadion) en deed later mijn best om filosofie te studeren: in Utrecht, Amsterdam en Nijmegen – maar van voltooien kwam het nooit. Had ik misschien minder op die tuinkabouters, meer op het strenge gezicht moeten letten?

In 1992 debuteerde ik in boekvorm met Zeehond in wormgat, een roman die geen roman wil worden.
Maar eerst was er Rein Bloem, die mij in 1989 als ongepubliceerde dichter vernoemde in een van zijn columns in De groene Amsterdammer. Overigens leek de goede Bloem best op een kabouter – maar niet op die buurman.

Mijn poëziedebuut Nevels orgel werd in 1994 genomineerd voor de C. Buddingh’-Prijs
De dichtbundel Deze rouwmoedige schoonheid werd genomineerd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2006.
De roman Plooierijen van geschik belandde in 2008 zowel op de longlist van De Gouden Uil als op die van de Libris Literatuur Prijs.
De essaybundel Nazi te Venlo kreeg in 2012 de J. Greshoff-prijs voor beschouwend proza toebedeeld.

De dichtbundel Verpoosd in schaduw werd getoonzet door Micha Hamel.

Met de dichters F. van Dixhoorn, Marc Kregting en Astrid Lampe trad ik van 1997 tot 2000 op in een gezamenlijk poëzie-programma onder de titel Overige Bestemmingen. Bij de twee laatste optredens werden wij versterkt door Anneke Brassinga (in een kazemat) en B. Zwaal (in een kapsalon).

In de loop der jaren vertaalde ik Koreaanse dichters. Een van hen, Yi Won, begeleidde ik bij haar optreden op Poetry International 2004.
Ook enkele Duitstalige auteurs werden door mij vertaald.

Ik ben als medewerker verbonden aan literair tijdschrift nY; datzelfde was ik van het onder Rutte I gesneuvelde Parmentier.
Een niet onbelangrijke tekst in het Duits staat hier.

De laatste jaren raak ik weer verslingerd aan de fotografie, waaraan ooit als jongetje begonnen.