Wat een romantische droom


Wat een romantische droom, essays, Vantilt 2007

“Een essay van zijn hand kan moeiteloos een aanvang nemen bij een jazzregistratie om te eindigen bij een boek of de zoveelste film. In dit opzicht zijn deze essays volwaardige literaire creaties, die je als lezer met ingehouden adem leest. Hüsgen is nl. een briljant, barok stilist. […] Een boek dat geen gulzige of gerichte lectuur toelaat maar net daardoor belangrijk blijft, als pleidooi voor de kunst en als kunstuiting.”

Dirk de Geest, De leeswolf

“De romantische droom is unheimisch en Hüsgen laat het ongemakkelijke in zijn volle bedreigende omvang zien.”

Bertram Mourits, Poëziekrant

“In elk van deze essays onderzoekt Hüsgen een hardnekkige illusie, houdt hij zijn eigen dromen tegen het licht en ondergraaft hij wijdverbreide vooroordelen. Deze aanpak maakt de bundel coherent want er zit een heldere thematische lijn in zijn betoog: het schromelijke tekort aan kritiek. Zijn analyses zijn overtuigend, ongewoon en voorzien van humor. Belangrijker nog is zijn ambitie. Hüsgen betracht het onmogelijke wanneer hij schijnbaar onverzoenbare fenomenen met elkaar in dialoog laat treden.”

Christophe van der Vorst, Ons Erfdeel

 

*

 


Fragment uit het essay ‘Een bescheiden fluitsolo’

Inmiddels zijn er ook minder vogels om in je netten te krijgen. De menselijke jaloezie heeft zich in zijn bewegingsdrift gewroken. Ik noem maar wat: de kievit, de geelgors, de veldleeuwerik genieten door de gerationaliseerde Europese landbouw steeds minder van de levensvreugde die de producten ons wel opleveren. Het probleem is wereldwijd. De albatros, Baudelaire’s symbool van de dichter als de grote ander, weet zich niet langer bedreigd door ‘les hommes d’equipage’ die hun verveling willen bestrijden, maar door de heel wat daadkrachtiger langelijnvisserij, die zich niet alleen mengt in hun buit, maar en passant ook de albatros meeneemt. Ook kraanvogels, papegaaien, wat al niet ginds in den vreemde, ze gaan sombere tijden tegemoet, als moesten ze worden gestraft voor de verhalen die wij met zoveel bombarie om hun gesponnen hebben.
In Australië is de gele rietvink inmiddels bedreigd. Cynisme kent zo min als vogels grenzen. Ik verneem van de zeldzaamheid via de vrolijke website van een Vlaamse meneer die thuis gele rietvinken houdt. Trots deelt hij mee: ‘Wat de vogels zelf betreft kan ik er nog aan toe voegen dat het zeer actieve vogels zijn die wel een volière nodig hebben om zich goed te voelen. Ze zitten nooit stil, het zijn echte acrobaten die altijd druk doende zijn om allerlei soorten takjes en twijgjes af te bijten. (…) Ze zijn absoluut vredelievend tegenover andere vogelsoorten en een lust voor het oog. Hun gezang begint zeer stil, omzeggens onhoorbaar. Je kan het eigenlijk beter zien dan horen maar na een poosje begint het luider te worden zodat het uiteindelijk eindigt in een heel luid en geweldig gezang. Met deze vogels zijn ook op tentoonstelling prima resultaten te behalen.’ En op de achtergrond speelt dan vermoedelijk Orrs radio, en de eigenaar trekt zijn schoonste nostalgische gezicht.
De nostalgie zal haar domein zeker nog uitbreiden. We mogen beginnen aan een elegische houding tegenover de ons zo zeer definiërende technische vindingen, meer nog dan ten aanzien van de natuur die we vermoedelijk hebben verspeeld. Er is misschien een sprankje hoop voor de soorten die resteren, vogels, of zelfs voor talen die dreigen te bezwijken onder het kwinkeleren van grote taalgemeenschappen. Een tijd dient zich aan waarin wij, als wij verstandig zijn of het eindelijk worden, ons hoofd nederig zullen moeten buigen. Onze alomvattende beweeglijkheid loopt ten einde, gaat al langzaam in stilte mank. Namelijk: de mondiale olievoorraden bereiken binnen niet al te lange tijd de helft van de ooit aanwezige capaciteit. De helft die resteert is daarbij in toenemende mate van mindere kwaliteit en moeilijker te winnen. We weten: hoe schaarser een product, hoe duurder het wordt, maar: je krijgt er op den duur niet eens hetzelfde voor terug. Daarbij komt dat de bestaande olievoorraad sterker wordt aangesproken dan ooit het geval geweest is. Met steeds meer vliegtuigen beweegt de welvaart zich in sprongen door de wereld. Ze doet dichtbevolkte landen als China en India aan die (volstrekt legitiem) hetzelfde recht opeisen als wij om de aarde leeg te zuigen. Nu heeft olie de prettige eigenschap van hoge energiedichtheid. De waarde van het gebruik van die dichtheid is echter wel afhankelijk van de energie die je erin moet steken om haar überhaupt te winnen en als eindproduct af te leveren. Die kosten nemen exponentieel toe naarmate het einde van de olie in zicht komt. Het gevolg is dat olie onvermijdelijk duurder wordt omdat ze relatief minder nieuwe energie levert. We zullen er minder gebruik van moeten maken om het punt van ineenstorten van onze economie uit te stellen, tijd te winnen voor vervangende bronnen. Vrijelijk bewegen wordt een luxueuze onderneming.