Vederbeds Lumière


Vederbeds Lumière, poëzie, Querido 2009

Vederbeds Lumière is een natuurfilosofische praktijkoefening die de lezer wil uitnodigen om die paradox te doorbreken. Wie daartoe bereid is wacht een fantastisch rijk en meeslepend avontuur en een inzicht in de complexe verhouding tussen mens en natuur, waar geen 3-D spektakelfilm tegenop kan.”
Samuel Vriezen, De Reactor

“een hedendaagse versie van The Cantos van Ezra Pound”
Gaston Franssen, Dw B

“een fata morgana vol wanhoop. […] Zijn taal, beeld en ritme hebben de vleugels van een prachtglansspreeuw.”
Arie van den Berg, NRC Handelsblad

“een prachtig schouwspel en een verrijking van de geest.”
Hans Mirck, KCG Literatuur

“Te integer”
Piet Gerbrandy, De Groene Amsterdammer

 

*

 

fragment uit ”Van Weggistan aan Weggistan’

In de woede ben ik om alzijdige afschaffing actief.
Genoodzaakt wordt dit,want onvermijdelijk is dit.
De ruimte en de aantrekkingskrachten leggen ons
verdwijnen op.Wij kunnen ons niet langer ophouden
dan door ophouden in ons ophouden. Ik beveel een u
zich voor te leggen als onderste gedaante van de ananas,
en zeg u: ananassen zijn smakelijk,maar kommer
brengt hun reislust. Ik zeg u ook: beweringen slijten
onder het geweld van de draad die beweringen
met elkaar verbindt. En ik geef u nog te kennen
welke onderlegging u blijft aantrekken tot parades,
maar kan dat slechts via de slecht vormgegeven
en aldus pijnlijk begripsvormende modules.
Ik stel u voor aan de aanwas in het ontteisteren,
beveel u een gouden lokje van het gevondene aan,
de ruimtelijke constructie van geluiden, van scherven,
van trucjes met chauffeurs en opdrachten van de antiquair.
Nietswil ik u opdringen, zominwil ik u bevelen
diefstallen te plegen uitNoorse musea. Schreeuw
zelfmeervoudig tot het ongezochte, zelf zeewaardig
tot het jonge monument, even kortstondig eens
als de rest van de mensheid, zo simpeltjes eens:
een wichelarij omtichels uit de ongezochtheid,
de voegen vervloeiden tot een stee,wij reikten
spijkers, om een onderkomen bij volksgebruik,
geweest waren zij stevig, ongebonden waren zij
in hun gebeden voor machines,maar nu: streng
te blijven in het verwaaien onder de berkentak,
geen farce meer ontberen, al zijn met violistes
grapjes nog mogelijk,maar alleenmet violistes.
Ik eis van cameraploegen werksters te verlossen,
hen te benoemen tot de hoedsters van paleizen die
aan de laatste acrobaten toebehoren.Nog een middag
glijden zij in de portalen binnen,motorisch discontinu,
zodat wij waken bij een wandeling rond ritselende
vijvers: aanbod van de lente. Rond is de eerste tovermuts
van nectar en spijs; rond is de voortgang van het
gedachtespel: onder onbeduidende figuren strekken
telers van kruizemunt een kunstweg tot vluchtstof
voor zich uit, aangevangen in de zweeftoestand van
kamers, onder populieren, geportretteerd al sweids
verdwijngebaar van wolkbeweging: het verlokt
de romanticus.Hij wankelt wat, verlopen, slikt
tabletten,werpt violistes een ruikertje toe, strompelt
tot de rand van het bassin, afgedankte wolkenkrabber.