Plooierijen van geschik


Plooierijen van geschik, roman, Querido 2007
– longlist Libris Literatuurprijs 2008
– longlist Gouden Uil 2008

“uniek in zijn polyfonie en weldadig aandoende afwisseling van taal, stijl en ritme. Thomas Rosenboom, Louis Ferron, A.F.Th. van der Heijden en, vooruit dan, William Faulkner, zijn hooguit enige van de referentiekaders om de schittering van het boek te duiden. Heb ik al gezegd dat het grappig is? Ontroerend? Gedurfd? Grensoverschrijdend? […] Stilistisch knap, omdat het je alle leggers van de taal laat zien? Bij dezen. Maar: lees het volgens de regels van Het Nieuwe Lezen. Woord na woord, zin na zin, alinea na alinea. Voor mijn part luid. En leg het dan even weg. Tijd zat. Slow Reading. Proevend genieten. Van een ernstig spel, gebeeldhouwd in een Nederlands dat er zich niet voor hoeft te schamen mooi te zijn.”

Koen Eykhout, De Limburger

“Niemand ontvlucht zijn lot. We zijn allen onderhevig aan schijnbaar zinloze veranderingen. Als de betekenis ervan eenduidig zou zijn, dan zou samen met het bestaan ook het lezen eensklaps overbodig worden. In Plooierijen van geschik toont Hüsgen met een overweldigende gedrevenheid aan dat we zo’n doodse stilstand gelukkig nog niet hebben bereikt.”

Christophe van der Vorst, Ons Erfdeel

Een uitvoerige analyse is te vinden in: Sven Vitse, Tekstbestanden, het balanseer 2010

 

*

 

fragment uit Hoofdstuk 57

Was ik misschien de weg kwijt, ik die de wijken rond de vijf oude kerken als geen andere bewoner van de stad uit het hoofd kende? Was het al zover met mij dat zelfs mijn vertrouwde grondgebied uiteenviel in werelden die elkaar niet eens spiegelden, maar – erger nog – in een onophoudelijk duel met elkaar verkeerden? Zoals gisteravond, toen ik de beijzelde trappen was op gegaan en ik even geloofde onderweg te zijn naar de klink van de zware poort in het portaal van de Martinuskerk, maar onder zware slagregens moest ervaren dat ik omhoogging tussen lage huizen, aan weerszijden kandelaars werden aangestoken en boven mijn hoofd huiselijk geroezemoes losbarstte. Die trappen leken niet eens op het kerkportaal. Maar gisteravond was alles nog eenvoudig doordat het zich binnen de kortste keren weer wenste te schikken naar de voorschriften der cartografie, terwijl ik het stellige vermoeden kreeg dat ik daar niet meer op vertrouwen kon. In welke wereld bevond ik mij, welke kaart zou ik uit een knapzak die ik niet bij me had maar waar ik naar verlangde, tevoorschijn moeten halen om het oord te kunnen traceren waar ik mij ophield? Bevond ik mij wel in mijn stad met waterburcht en de honderden witte naamgenoten in de grachten, zijn lusthoven tegen de bergen op?
Misschien moest ik het er maar op wagen en naar binnen gaan. Dan merkte ik vanzelf waar ik was terechtgekomen. Mijn blik gleed over het waaierende kruid dat over de beregende gevelstenen woekerde, een verdwaalde vogelkers: de eironde, op hun kop gezette bladeren drupten na van de vergissing tussen kasseien te willen bloeien. De vensters daarachter vertoonden nog altijd dezelfde onbehouwen wasem van vertier, geschreeuw, gebral. Waarom zou ik hier naar binnen willen? Wat bracht het mij om mij te begeven onder dit slag? Zij waren wel de laatsten die mij de weg konden wijzen naar de vreemdeling in mij aanwezig, al twijfelde ik nog, want moest maar aannemen dat mijn aanbedene niet had gelogen toen zij beweerde dat ook hij zich diep in mij bevond. Dergelijke gedachten werden inmiddels een nutteloze exercitie. De plaats waar ik mij bevond, kon net zo goed in mij als buiten mij zich aan mij voltrekken. Misschien bevond de onbekende zich inderdaad in de luidruchtige taveerne, zat hij wijdbeens te wachten tussen opgezwollen deernen of juist waakzaam voor zich uit te staren, omringd door vermoeide ouderlingen.
Ik begaf mij moediger dan ooit in mijn hele miserabele bestaan naar de hoge smalle donkergroene deur onder het flakkeren van de kaars in een lantaarn die meewiegde op de wind, en onder een overdreven gedruis stootte ik hem open. Ik begreep mijn eigen machteloze bullebakkerij niet, maar wat deed dat er nog toe? De deur sloeg zwaar tegen de muur en ik keek in de verschrikte ogen van twee gedrongen kereltjes met stoppelbaard onder vette mutsen, die zaten aan een tafelblad dat rustte op een ton met zwaar ijzerbeslag. De aardewerken kruiken keken mij ook dreigend genoeg aan, maar de achterste van de twee schoot omhoog en trok een glimmend mes van tussen zijn broekriem. Twee jonge vrouwen met witte kapjes vlogen op hem af, kalmeerden hem en keken nieuwsgierig wat de indringer van plan kon zijn. Ze meenden vast dat ik nauwelijks een gevaar kon vormen. De man met stoppelbaard, die nog altijd vooraan zat, boog het hoofd. Ik twijfelde of ik nu verder naar binnen of juist achteruit moest gaan. Maar warmte nam de huiver weg bij de aanblik van al dat leven om mij heen. Ik zou voor het eerst in mijn leven kunnen genieten van menselijk gezelschap – het althans proberen. Toch bleef ik weifelend op de drempel staan. Ik tuurde naar de krakkemikkige wenteltrap, linksachter in het broeierige hol. Een spichtig meisje hurkte op een van de treden, met zwarte vegen in haar gezicht onder slierend blond haar. Ze gluurde me indringend aan, zoals steeds meer van de aanwezigen, en er werd geroepen, ook door de kastelein: ‘Kom je naar binnen of ga je naar buiten? Gaat die deur dicht of blijft hij de hele avond open?!’ Ik geloof niet dat ik eerder in mijn leven zo verward was geweest over pupillen, wimpers, wenkbrauwen, knipoogjes, gefrons, gelonk. Mijn hand onderzocht op de tast of mijn hart nog bonsde – ja, dat deed het nog, maar raar afgeknepen, dus misschien was het verstandig zo snel mogelijk weg te komen en misschien ooit terug te keren – als ik de kroeg dan nog terugvond. Ik deed wat stappen achteruit. De man bleef spelen met zijn glanzende mes. Een dikke vrouw brulde dat die kale neet eindelijk zijn beslissing had genomen. Inderdaad, ik durfde het aan verwilderd de straat op te vluchten.