Nazi te Venlo: drie fragmenten


 

*

 

De wereld rond het station is belangrijker dan het oord waardoor je haar
bereikt.

Ook het Venlose station van de Köln-Mindener Bahn leek volgens dat adagium
gebouwd. Een foto uit het gemeentearchief toont een bescheiden
bouwwerk dat in norsheid met de Düsseldorfse voorzijde kan wedijveren.
Donkere bakstenen omsluiten de vensters. De drie verdiepingen worden
afgedekt door een zadeldak; aan de oostzijde vinden we een lagere zijvleugel.
De vensters van begane grond en eerste verdieping zijn hoog en breed;
die van de tweede smal en laag. Gordijnen duiden op bewoning. Volgens
het bijschrift werd de foto genomen op 6 augustus 1970, maar de struiken
voor het gebouw zijn kaal. Het sneeuwt bovendien. In het jaar dat de foto
werd gemaakt, was ik er al. Als kind bezocht ik Venlo vaak genoeg, en rond
die tijd verhuisde grootmoeder van moeders kant naar het bejaardenhuis
aan de oostzijde van hetzelfde park waar eens het emplacement lag.
Kort na het nemen van de foto werd het oude stationsgebouw afgebroken.
Het maakte plaats voor het Museum van Bommel van Dam, dat
spoedig bijdroeg aan mijn interesse in beeldende kunst. Ik bezocht het bij
bezoekjes aan de grootmoeder, die dus precies daar woonde waar eens
de treinen naar Wesel op stoom kwamen na het verlaten van het norse
gebouw. Herinner ik mij een moment in de lichtblauwe Renault 4, als wij
de tegenoverliggende straat uitkomen: zegt mijn vader, dat ginds, in dat
gebouw, zijn grootvader heeft gewerkt?

Het Venlose bevolkingsregister laat er geen twijfel over bestaan.
Op 22 juli 1901 vestigde zich officieel ter stede de op 27 oktober 1872
geboren Friedrich Wilhelm Heinrich Hüsgen: als ‘stationsklerk’. Ik zei
het eerder al: lang ging ik ervan uit dat mijn overgrootvader behoorde
tot de Hüsgens uit de grensstreek en de regio Düsseldorf-Essen, maar dat
lijkt niet het geval. Als ’s mans geboorteplaats wordt het dorpje Giesen in
Nedersaksen vermeld, nabij Hildesheim, weer niet te ver van Minden, de
stad die mede haar naam verleende aan de Köln-Mindener Bahn. In die
voormalige vestingstad werkte tegen het einde van de negentiende eeuw
een kwart van de inwoners bij de spoorwegen. Woonachtig waren zij in
speciaal voor hen opgetrokken wijken. Wie uit die streek afkomstig was,
wist waar zijn toekomst lag.
Toch is het niet uitgesloten dat de Venlose ambtenaar zich heeft verschreven.
Dan zou Hüsgen afkomstig zijn uit de stad Gießen, halverwege
Ruhrgebied en Frankfurt, zelf eens eindpunt van een lijn die aan de Köln-
Mindener Bahn toebehoorde. Anderzijds stond mijn overgrootvader, toen
hij zich na kortstondig verblijf in Duitsland weer als inwoner van Venlo
liet inschrijven, andermaal als geboren te Giesen te boek.
Overigens werkte hij strikt genomen niet bij de CME, de Cöln-Mindener
Eisenbahngesellschaft, zoals de officiële naam van het bedrijf luidde.
Zijn werkplek is in de Venlose volksmond altijd het station van de Köln-
Mindener blijven heten, terwijl de firma zelf al op 1 januari 1886 in de
Pruisische staatsspoorwegen was opgegaan. Mijn overgrootvader werkte
dus in dienst van de Pruisische overheid. Van zo iemand mag je zin voor
recht en orde verwachten, maar daar gaf hij in zijn jonge jaren weinig blijk
van.

(p. 121/122)

 

*

 

Geert Wilders weet heel precies waar hij door zijn tegenstanders van
wordt verdacht. Maar vooral weet hij dat Nederland nog altijd niet de
scherpe woorden van Abel J. Herzberg in daden heeft omgezet: ‘Je bent pas
een anti-nazi als je niet meer verontwaardigd bent.’ Wilders doorziet
hoe je met dichtgeknepen lippen verontwaardiging speelt. Daarop moet
hij wel drijven, want over een heilsplan voor ons allen, zoals sommige
mensen nog hadden, beschikt hij niet. Hij gelooft louter in de vrije markt:
de schraalheid van het eigen geloof zou nog wel eens zijn meest fundamentele
verwijt aan het geloof der islamieten kunnen zijn. Tegelijkertijd
is het ook de reden waarom hij vooral met zijn rabiate taal in de Tweede
Kamer de gewone man zozeer aanspreekt. Daar speelt Wilders voor de
gewone man zelf, die een lange neus trekt naar de gezagdragers, bij voorkeur
‘elite’ genoemd. Dat is een alweer enige decennia oude Nederlandse
traditie, zij het dat nu diegenen het slachtoffer zijn, die ermee begonnen.
Datzelfde links heeft met het toegenomen egalitarisme in de Nederlandse
maatschappij de kluit deels belazerd: naar haar structuur houdt de maatschappij
die gelijkheid belooft de gewone man nog altijd even machteloos,
welhaast eens te meer als hij vrijuit kan jijen en jouen met BN’ers. Parlementair
links wordt afgestraft voor het gemak waarmee het voor het
kapitaal, als bankwezen de drager van elke staatsmacht, door de knieën
is gegaan, maar omdat dat kapitaal, zeker in zijn geamerikaniseerde verschijningsvorm
van de commerciële televisie, oppermachtig is en allen
afhankelijk maakt, kan dat enkel nog via de lange neus van onparlementair
taalgebruik. Het is daarin dat de PVV-aanhanger de laatste restanten
van zijn eigen vrijheid ontwaart: hij, die anderen het overschrijden van
staatsgrenzen misgunt, weet zich daarmee in eigen land opgesloten en
kan alleen via het vrijelijk schelden het verlangen naar grensoverschrijding
realiseren.
De vraag is echter vooral wat er gebeuren mag zodra een land aan de
onophoudelijke mediashock van mensen als Wilders is gewend – en dan
komen er plots almaar meer klimaatvluchtelingen, terwijl de eigen economie
onmogelijk haar recessie te boven kan komen, zodra blijkt dat
olie werkelijk nergens meer goedkoop te winnen valt. In The Anatomy of
Fascism wijst Robert O. Paxton op de klassieke fascistische kenmerken,
zoals ze ontbreken bij de gemiddelde rechtspopulistische partij van vandaag
de dag: afwijzing van de vrije markt, verzet tegen de democratie,
geloof in militaire expansie. Dat geldt zeker ook voor Wilders, die zelfs op
defensie wil bezuinigen, al wordt hij daarin minstens geholpen door de
geografie. Waar zou Nederland nog aan gebiedsuitbreiding moeten doen,
tenzij de PVV alsnog Vlaanderen met geweld wil bevrijden? Bovendien
heeft Wilders het tactische voordeel van een dermate omvangrijke vijand,
die bovendien over eigen staten beschikt, dat hij niet eens geloofwaardig
zou kunnen voorstellen hem uit te roeien. Dat verschil in historische
omstandigheid maakt het echter niet minder onverstandig je door Paxton
te laten waarschuwen: ‘Knowing what we do about the fascist cycle, we
can find more ominous warning signals in situations of political deadlock
in the face of crisis, threatened conservatives looking for tougher allies,
ready to give up due process and the rule of law, seeking mass support by
nationalist and racialist demagoguery. Fascists are close to power when
conservatives begin to borrow their techniques, appeal to their “mobilizing
passions”, and try to co-opt the fascist following.’

(p. 167/168)

 

*

 

Rond de grote straat vanaf het station te Hamburg-Altona leek het die
winterdag wel zomer: de sfeer was kleurrijk en charmant. Zelfs de twee
elegante oude dames die in gewaagde kleurencombinaties gearmd voor
mij uit strompelden, leken in het algehele dartelen op te gaan.
Ik was maar een heel klein tikje sneller, op voeten van mieren, al
voelde dat wat onwennig. Tijdens mijn kreupele gang had ik een gedicht
van Joachim Ringelnatz kunnen reciteren – die zelf ook niet erg zou zijn
opgeschoten. Krompotig sinds zijn geboorte, schiep hij met weloverwogen
klunzigheid voldoende afstand om nooit serieus kunstenaar te hoeven lijken.
Het maakte zijn werk in 1933 gevaarlijk genoeg voor een verbod:

Die Ameisen

In Hamburg lebten zwei Ameisen,
Die wollten nach Australien reisen.
Bei Altona auf der Chaussee,
Da taten ihnen die Beine weh,
Und da verzichteten sie weise
Dann auf den letzten Teil der Reise.

Het is niet niks: guitig wordt hier gesproken van mieren, te slap op hun
poten voor de overtocht per schip. De dichter heeft er geen idee van dat
mieren daar helemaal niet thuishoren. En de eenvoudige lezer mocht
eens geloven dat de afstand tussen Hamburg en Altona even groot is als
die tussen Altona en Australië. Voor je het weet, rennen ze ervandoor.
Verschrikkelijk is de mogelijkheid dat ongedierte over een menselijk vermogen
tot wijsheid zou kunnen beschikken, ja: ‘weise’. Wie de mens op
een lijn plaatst met ongedierte, dient de gevolgen te dragen van een krompotigheid
die niet alleen lichamelijk, maar vooral ook geestelijk blijkt.
Er is een poëzie die in alle onschuld zo weinig op de werkelijkheid
betrokken lijkt, dat de werkelijkheid zich graag tegen haar schuldig maakt.
Ringelnatz mocht van geluk spreken dat hij in 1933 al ernstig ziek was.

 

(p. 241)