Drie bijdragen


De afgelopen tijd verschenen bijdragen in Rekto:Verso, DW B en nY.

De materie van de mens‘ in Rekto:verso gaat over de eventuele wenselijkheid van niets minder dan het einde van de mensheid, en opent als volgt:

Zit ik knipselpoëzie te lezen, vraagt iemand of ik wil nadenken of er (buitendien nog) zinvolle dingen zijn te bedenken inzake de mensheid. Ik krijg minstens mee dat sommige lui weer in haar willen geloven, als verwaarloosd universeel verschijnsel, anderen juist niet. Die menen dat haar centrale belang heftig op de helling moet. Maar wie mag die mensheid dan wel wezen? Steeds lijkt het om dezelfde deelverzameling te gaan: vooral die mensheid, die zoals ik, zodra ik dit schrijf, achter elektronica kruipen kan. Eerder niet het volk der Bakhtiari uit Iran, dat – als dat van de mullahs nog mag – leeft in geitenharen tenten en yoghurt maakt in pannen van geitenleer. Wel even wat anders dan leven met vingers, gemaakt voor elektronica (je ziet ze soms bezig, dat je denkt, daar was die hele evolutie voor bestemd!).

Hoe dat verder gaat? Lees het bij Rekto:Verso op het web.

*

in nY, #38 verscheen ‘Verzuipen in gedichten’, een meanderende verhandeling, vooral over de vraag, in hoeverre je aan dichters een poëtica kunt ontlenen die een antwoord biedt op hedendaagse ecologische problematiek, zeker ook bezien vanuit het probleem, geheten de thermodynamica. Een belangrijke rol daarbij spelen dichters als Paulus Böhmer en B. Zwaal. Over die laatste onder andere het volgende:

Die onvaste vaste grond volgt op een gedicht dat de stroom van Zwaals poëzie samenvat:

delta
is onze hope

Misschien spreken in dat ‘onze’ al die gedichten met zijn allen, maar misschien zeggen ze nog wel iets meer. Binnen de christelijk-hervormde traditie is ‘Eén naam is onze hope’ een van de belangrijkste kerkgezangen. Is de ene naam toch al iets anders dan de veelvuldigheid van een delta, het contrast wordt nog scherper door de tweede regel van de kerkzang: ‘een grond heeft Christus’ Kerk’. Een delta heeft heel wat meer gronden tot zijn beschikking. Nederlanders weten wel hoe dat zit met een delta: wij houden er zelf eentje op na, die we in de loop der eeuwen hebben bedwongen, teruggedrongen, naar wij hopen: voorgoed getemd. De Nederlandse geschiedenis en cultuur staan dus haaks op Zwaals epigram: niets bedreigt de Nederlandse polderzucht met al zijn waterwerken, in belangrijke mate van christelijk-hervormde signatuur, sterker dan een mogelijke terugkeer tot de staat van delta. Ze is niet onze hope, ze is onze vreze. Anderzijds hoort ‘delta is onze hope’ vooral bij een situatie waar de delta nog niet of niet ten volle bestaat, maar wel mogelijk is. Dat omschrijft tegelijkertijd de situatie van degenen die in de bedwongen delta het bedwingen willen voortzetten. Ook zij kunnen hun hoop stellen in de delta, als vaste grond die hen minstens een bestaansgarantie tegen het waterig gevaar biedt. Zo valt niet zeker te zeggen wie hier precies spreken. Water en land staan geen beslissing toe.

Jammer genoeg zijn in de opmaak vier voetnoten verdwenen. Ter aanvulling bij deze:

1. Overigens Schwitters’ echtgenote Esther Guldahl.
2. Maar laten we zijn werk daar niet toe reduceren. Al vanaf zijn debuut fiere miniature kent het beslist ook langere, weids uitwaaierende gedichten. Het benadrukken van die beknoptheid is inmiddels een dusdanig cliché, dat criticus Piet Gerbrandy over het langere slotgedicht van Een drifter opmerkt: ‘voor Zwaalse begrippen uitzonderlijk lang’. Dat klopt niet.
3. Hoeveel ganzen heb je nodig om zeven miljard mensen van ganzenveren te voorzien?
4. Stedelijke verlichting is ook een belangrijke factor in het uitsterven van insectensoorten (een volgend moment van entropie). Er is een prachtig langer citaat uit een van de Falklandjes van Herman Heijermans dat toont hoe normaal in die tijd insecten waren, hoeveel er op een gewone avond onder lamplicht sneuvelden. Daar hebben wij geen voorstelling meer van.

*

In het aan het thema ‘faillissement
gewijde nieuwe nummer van DW B publiceerde ik iets wat het midden houdt tussen een tirade en een prozagedicht, onder de titel ‘Weest malkanders redding!’

En dat begint dan weer zo:

Ik ben een gevaar voor de werkgelegenheid. Onderhands kom ik zeker nog terug op dit schokkende bericht. Veel belangrijker: ik bezit geen bootje dat Gretl heet. Mijn leven is failliet. Nee, er is helemaal niks failliet. Alles is perfect in orde. Ik ook. Wat rond is, is rond; wat cirkelvormig is, is cirkelvormig. Kortom: niemand is ongelukkig. Je kunt het je niet voorstellen, maar het is een feit. Het is nog erger: iedereen is gelukkig. Je reist rond door de wereld (ook niet vierkant dus), en stelt vast: iedere wereldburger is minstens verschrikkelijk tevreden. Omdat het esthetisch genoegen ook wat wil, is elk kunstwerk mooi. De perfectie van alle dingen gaat nog verder. Elk lichaamsdeel zit perfect op zijn plek. Ieder mens zit perfect op zijn plek. Ook dat komt niet uit de lucht vallen: elke plek past exact bij zijn geografische locatie. Ook in de geografie gaat niks failliet. Wie zal het verbazen: de economie is een redzame kracht. Er is geen economie die slecht is voor de mens. Er is geen mens die slecht is voor de economie. Elk mens is slecht voor de economie, dus daar ligt de kans! De perfectie van de mislukkeling als investeringsmogelijkheid staat buiten kijf. Niemand is meer geïnteresseerd in geld verdienen dan mislukkelingen. Dus: zonder Luuk de Jong is het universum incompleet. Of was het nou ‘Zonder universum is Luuk de Jong incompleet’?

*