Ehrlich, Morton, Cotten


Het is alweer een tijdje terug, maar in DW B 162/3, d.w.z., in september van vorig jaar, verscheen in mijn vertaling ‘Over de posities in de ruimte’, een verhaal van de veelbelovende jonge Duitse schrijver Roman Ehrlich, afkomstig uit de verhalenbundel Urwaldgäste. Dat begint, heel rustigjes aan, zo:

 

In mijn herinnering een Trabant die in de verte rondcirkelt:
nog voordat de feiten voldongen raakten en die dingen tussen ons gebeurden die uiteindelijk een volstrekt overhoopgehaald landschap achterlieten waarin zowel de veestapel als de gebruikelijke vegetatie grotesk verminkt en verwrongen in de bodem waren weggezakt of aan de wetten der zwaartekracht waren onttrokken, voordat dus deze dingen gebeurden die zich met geen pen laten beschrijven, vertelde ze mij, als betrof het een lang vervlogen gebeurtenis uit haar jeugd, over een reis naar het eiland Elba in de Middellandse Zee, die ze had ondernomen met haar twee kinderen en hem – degene die zich, zoals zij dat uitdrukte, in deze korte tijd zo volstrekt gediskwalificeerd had dat ze, hoewel ze als jong koppeltje op pad waren gegaan, als vluchtige kennissen in de stad waren teruggekeerd.
Ze hadden ginds lang in de verzengende zon rondgelopen en hadden onverschillig het werk van straatkunstenaars op de strandpromenade bekeken, en dat allemaal in het voorbijgaan, omdat zelfs de kinderen te suf waren geweest om enthousiasme te kunnen opbrengen voor de groteske striptekeningen, silhouetten of parelkettingen die voor hun ogen vervaardigd werden als een opmerkelijke vorm van verzet tegen de verveling en vadsigheid die over alles uitgestrekt lagen. Ze had toen zelf nog niet zo goed geweten hoe je met kinderen omgaat, en het moet wel aan haar hebben gelegen, vertelde ze mij, dat ze haar kroost een halve dag lang met ontbloot bovenlijf hadden laten rondlopen en dat die twee dan ’s avonds zo’n erge zonnebrand hadden gehad, dat ze die in de pensionkamer enkel nog op de uitgeschoven bedbank hadden kunnen leggen om hun rood verbrande ruggen geregeld met vochtige handdoeken te verkoelen. Ze had die avond met Peter, zoals het vriendje schijnbaar heette, een fles wijn gedeeld op het balkon in de afkoelende lucht, en vanuit de pensionkamer hadden telkens weer de kreten van de kinderen geklonken.
‘Peter,’ vertelde ze mij, schreeuwden de kinderen, ‘Peter, omdraaien!’, en Peter had tegen haar gezegd:
‘Ze zien me nu al enkel als dienstverlener.’

*

Na een eerder signalement over Hans Jonas, ben ik voor De Reactor nu begonnen met het schrijven van langere kritieken. De eerste recensie betreft Duistere ecologie en Ecologisch wezen van filosoof Timothy Morton/. Ik ben er niet helemaal enthousiast over, zoals dit citaat al moge doen vermoeden:

 

Mortons woord ‘factoïde’ is in elk geval gemunt door de Amerikaanse auteur Norman Mailer, die daarmee dingen bedoelde die niet waar zijn, maar wel als zodanig worden bericht. Inmiddels heeft het woord een neutralere betekenis, verwijst het naar trivialiteiten, al blijft de geur van bedrog penetrant aanwezig. Nu kun je je afvragen wat er triviaal is aan pakweg de (niet door Morton gepleegde) vaststelling, dat met de huidige manier waarop wij met de wereldzeeën omgaan, er volgens wetenschappers over een jaar of veertig alleen nog kwallen in leven. Mortons antwoord is simpel: omdat het zo’n vervelend gevoel oplevert, en dat kunnen we niet hebben. Dat is het probleem met al die feiten. Bovendien, alles wat je doet om ecologisch op te treden, is een druppel op de gloeiende plaat. Daar word je knap wanhopig van. Hoe kun je nog ecologisch wezen als het zo weinig uitmaakt? Daar moet toch iets tegen te doen zijn?

 

Ja, er is een oplossing: je hoeft je helemaal niet druk te maken over je ecologische verantwoordelijkheid, want wat je ook doet, je leeft sowieso binnen een netwerk van levende wezens, zelfs je hele lichaam bestaat eruit. Kort en goed, je bent van jezelf al een ecologisch wezen.

 

Probleem opgelost.
Echt waar.

 

Het klinkt misschien wat nihilistisch (alsof een hoogbegaafde vrouw die constant tegen het glazen plafond botst, van haar mannelijke therapeut te horen krijgt, dat ze een baarmoeder heeft, dus ze geeft al zoveel aan de wereld), maar we zullen nog zien dat dat helemaal niet erg is. En ik vat het hier ook best een beetje simpel samen, zonder al te veel boutades en onnavolgbare redeneringen, en ik heb ook nergens verwezen naar Jacques Lacan, Immanuel Kant, Martin Heidegger, The Cure of Talking Heads (Morton vergeet wel Beyoncé’s ‘I woke up like this; I’m flawless’, de perfecte samenvatting), maar het staat er toch heus. Nog leuker: met het oorspronkelijk twee jaar eerder verschenen Duistere ecologie levert Morton zelfs een psychologisch zelfhulpboek om met het probleem uit de voeten te kunnen. Daarover later, want dat is niet zomaar wat.

 

*

 

In juni verschijnt bij uitgeverij Leesmagazijn in mijn vertaling De huiverende waaier, een verhalenbundel van Ann Cotten. Zij wordt geacht het hermetisme te hebben teruggebracht in de Duitse literatuur.Helemaal vreemd is mij haar werk niet. Het kwam mij wel eens voor, als vertaalde ik passages uit mijn eigen Plooierijen van geschik, althans op stilistisch vlak.

 

 

Uit het boek van Cotten alvast een voorproefje:

 

 

Toentertijd waren mijn borsten soms erg mooi. Het leven aan de rand van het bos zonder alcohol had mijn huid gereinigd, ik straalde als een teenager. De stevige zwellingen van de borsten welfden op tot in de hemel als perfecte pagoden, de waterspiegel van het meer reflecteerde ze als de Taj Mahal. Ik had Shin Fun gevraagd, of hij de operatie ook in het bos kon uitvoeren. Het voorstel had hem veel plezier gedaan. Daar maakten we dan een roeiboot van, en vooraf ging ik nog een laatste keer met de borsten naakt in het meer zwemmen.
Hoe ze vrolijk door het water werden gedragen, hoe ze mij als witte Caspars schuw groetten en aan mij hingen, terwijl ik buitelingen maakte! Ik lag ruggelings in het water en mijn buik, in de krappe badkuip getekend door een levenslange race om de hegemonie tussen de Drie Eilanden, schoof hier in de open lucht de borsten onbaatzuchtig naar boven. Ze voegden zich precies in mijn knokige handen – maar nee, dat is louter de royale volgzaamheid van borsten, ze laten elke hand geloven dat ze er precies in passen, alsof ze er voor gemaakt zijn – en al waren het maar de eigen handen. Ze waren elkaar zat, handen en borsten, als oude huwelijkspartners, en zagen elkaar nu toch, als oude broers en zussen, verbluft op een nieuwe manier – en ik feliciteerde mij met mijn moed om ons allemaal te verkwikken met hun verwijdering. Ik sprong het strand op – ze wiebelden, ze zouden me echter gauw kwijt zijn! Ik vervloekte de eenzaamheid van mijn ongeschondenheid – als ik een tempel was, dan bestrafte God de bevolking die zich zo verre hield, met plagen – en droogde mij af.
Shin Fun loerde in de schaduw van boven zijn kruiswoordraadsel.
“Kom nu!”, riep ik, “weg ermee! ” Toen vond ik mij op Salome lijken, die tweemaal haar eigen hoofd op het dienblad bestelt.
Shin Fun gaf mij het bevel op de grond te gaan liggen, en fotografeerde mij van alle kanten. De lieflijke schaduw van de boom in verschillende standen op zwartwitfilm, de vluchtige vingers van de wilgenbladeren. De borsten zouden vandaag sneller weg zijn dan zij, die nog lang hun schaduwen in de zandige Berlijnse modder moesten boren. Dan zouden de borsten al in een emmer liggen. Shin Fun hielp mij de boot in, desinfecteerde mijn bovenlijf, besprenkelde mij met DEET om de insecten uit de buurt te houden, en klepte de ether over mijn gezicht. De assistent schoof ons van de oever en roeide erop los. Ik zag een grote vogel aan de hemel cirkelen en dacht nergens aan.