Ku Sang – Dagboek van de velden (16 – 21)


Ku Sang

 

Het is alweer een hele tijd geleden: eerder publiceerde ik (hier en hier) de gedichten 1 tot en met 15 uit het lange gedicht Dagboek van de velden van de Zuid-Koreaanse dichter Ku Sang (1919-2004). Het is alleszins tijd daarmee verder te gaan. Ooit, eens, bereiken we dan gedicht 54, het slot van dit fabuleuze, levendige, avontuurlijke, warme gedicht.

 

 

16.

In groen uniform,
de schoolmeisjes
in enen,

met zijn allen,
ze zingen in koor
de ‘Lentesymfonie’.

Een gerstveld in Mei.

17.

Wat, minkukel,
jij groot?
Ik groot!

Pûh, moet je zien,
kijk eens uit je doppen,
wie is er hier nou rood.

Rijp:
eten!
Mjam, mjam, mjam.

Een hoek
van de tuin bij de kleuterschool:
een veld met rode pepers.

18.

Aan de blauwe nachtelijke hemel
leven de sterren

en in mijn okergele borst
bloeien de bloemen.

In de twinkelende
sterren

nestelt
droom na droom

en in de ronkende
bloemen

schuilen
dauwdruppels.

19.

Ritsel, ritsel,
geluid van voetsporen

ginds in de schaduw,
weifel, weifel

oei, Rots en Knappertje!

…Hunnie

de jonge gerstearen
lagen uitgespreid, komen omhoog:
gezicht op huilen, op lachen,

de maan, school eerst achter de wolken,
met één steels oog,

hullie!

In mijn dagen als middelbaar scholier
zat ik eens op toilet,

met uitgeknipte foto: uit een of ander land,
een keizerlijke Majesteit!

Bij zo’n passie om wat plat is,
schiet het lijf bij veld, en bij mij, in de kronkels.

20.

Twintig dagen na de Eerste Regen van het Jaar
Viel, voor het eerst in 49 dagen, regen.

Regen? Nauwelijks twaalf millimeter,
en hij hield ook nog eens midden in de nacht op
maar de gerstearen van de velden die hun laatste adem uitbliezen
grijpen volop de levenskracht aan en flirten met de wind.

De komkommers en de tomaten
in de plastic tenten van Ttuksom
kunnen bloesemen

en de druivengaarden van Anyang,
eerst totaal bevroren,
kunnen hun leden strekken

en de koraalzwammen van Kangwon-do,
de shiitakes van Cheju-do
lurken het vocht binnen en schieten uit

en in de zuidelijke streken, in Kyongsang-do,
komen ook de velden met lentekool en kropsla
een slecht te diagnosticeren ziekte te boven

en ook de velden met de wilde appels
van Hwangju in Hwanghae-do,
van Anbyon in Hamgyong-do
beginnen met de snoei

en ook de kap-en-brand boeren van de berg Samsubak
kunnen voor de aardappels het zaad selecteren

en alom in de zijdegebieden van Ch’ungch’ong-do
beginnen de moerbeibomen hun ogen te openen
keren ze hun strakke borst binnenstebuiten, maar

in de velden van Kimje te Cholla-do
verwijten ze nog de hemel:
‘met van die miezerige regen
sop je bij je lentekarweitjes enkel maar je voeten’,
en dan is er het weerbericht:

‘Een lagedrukgebied dat oprukt vanuit Japan en een lagedrukgebied dat oprukt vanuit het noorden van China brengen in combinatie een depressie teweeg. Ten gevolge daarvan zal er vanaf vanmiddag weer regen vallen over het gehele Koreaanse schiereiland; dit houdt wel een dag of twee, drie aan.’

21.

Zo’n week of twee
ja wel twintig dagen lang
vloeit de moesson.

Vol water staan de voren en de sleuven van het veld,
waar je je voet maar zet, tot aan het kruis raak je doorweekt:
zelfs de aardappelen spetteren met hun blote lijven in de aarde.

Van de Oude Heer IJzermans slaat het aangebrande talkstenen gezicht
nog bleker uit,
en met een zak, over de opgerolde hennep broek gevouwen,
gaat hij dagelijks het veld in om het water te laten wegvloeien
en in elk van de vier hoeken poot hij keer op keer de schop.

Juist dan komt de buurjongen van het meloenenveld naar buiten,
een sluwe vogel, knerpende laarzen onder rubberen regenkleding,
een stok in de ene hand, in de andere een doorweekte tas met mazen
waar hij een stel gevlekte meloenen in stopt, hij komt dichterbij
en groet de Oude Heer IJzermans:

“Ha, Pa-U’s va, wat sta je me daar voren te trekke, dat heb toch niks geen nut, rivierwater oplepele!”

“Ik mot er toch voor zorrege dat dit veld een beetje kan ademhale!”

“Ja maar, dit jaar motte we onze melonne als komkommers verkope, zit toch niks anders op.”

“Bove de grond redde komkommers het wel, maar onze aardappels hier in de grond benne helemaal verrot, omdat ze geen kant op kunne!”

“Of je het nou zus doet of zo, je bak er niks van, de hele wereld gaat finaal naar de klote, al drie maanden en tien dagen moessont en moessont het maar!”

“Wazeggie nou? Dat jij er voor jezelf van die vuile praatjes op na houdt mot jij weten, maar denk er niet aan ze ook nog eens uit te spreken ook! Woorden zijn zaad! Hou dat goed in de gaten!”

Het zat er dik in:
wat eerst maar zo’n beetje een motregentje was
wordt nu in gerikketik en getiktak
een druipende stortbui.

De jongen van het meloenenveld gaat spoorslags naar binnen
en de Oude Heer IJzermans staat er aan de rand van het veld
bij als een dode boom:

“De hemel is vast ook al seniel; wat ze ook zeggen, jongerenpraat alleen al te moeten aanhoren maakt me helemaal misselijk!”

Hij gromt wat, als was het een gebed aan zijn voorouders,
maar de dichte denderende regen vindt geen eind.