DW B: Gustav Landauer


Het nieuwe nummer van DW B is gewijd aan het thema ‘Het immateriële’. Het omvat onder meer mijn vertaling van en inleiding bij een fragment uit Skepsis und Mystik van de Duitse anarchist Gustav Landauer (1870-1919).

 

 

*

 

Arnoud van Adrichem en Sven Vitse, samenstellers van het nummer, schrijven in hun inleiding:

Lucas Hüsgen introduceert en vertaalt dan weer een tot de verbeelding sprekend essay van de Duitse anarchist en cultuurcriticus Gustav Landauer, waarin de liefhebbers van het oeuvre van Hüsgen, maar ook die van het werk van bijvoorbeeld Gilles Deleuze en Sybrenn Polet, veel wonderlijke intuïties zullen herkennen. Poëzie en kritische filosofie tegelijk, en dat voor het eerst in Nederlandse vertaling, die hopelijk ooit zal uitmonden in een integrale vertaling van Landauers overweldigende Skepsis und Mystik (1903).

 

*

 

Een fragment uit de eigen inleiding:

In dit – voor mij nog altijd fundamentele – werk biedt Landauer een primair kentheoretische, in metafysica uitmondende grondslag aan anarchistisch denken en handelen. Het gaat uit van de taalkritiek van Fritz Mauthner (1849-1923), die grote begrippen als ruimte, tijd en causaliteit tot metaforen verklaart. Het illusoire karakter van grote theorievorming brengt Landauer tot een creatieve tweespalt: de wereld is samengesteld uit onafhankelijke, gelijkwaardige elementen, waarovervan we enkel in abstracties kunnen spreken. Die mogen echter, nog in hun meest universalistische vorm, nooit de overhand krijgen.

Het brengt stilzwijgend het centrale anarchistisch perspectief op een kosmologisch plan. Het anarchisme gaat, anders dan het communisme, uit van afzonderlijke, onafhankelijke mensen die ieder elk het recht hebben hun leven te bepalen zoals zij dat willen, binnen een weefsel van anderen met hetzelfde recht. De machtsaanspraken van ondernemers, partijen, de staat zijn illusoir. Gemeenschap vindt de weg naar zichzelf zodra wij ons van die structuren ontdoen. Landauers denken bleef niet louter theoretisch: het droeg in belangrijke mate bij aan de ontwikkeling van de kibboets (Landauer was zelf joods), en zelf was hij in Duitsland actief betrokken bij de oprichting van coöperaties en vrije schoolgemeenschappen.

 

*

 

Een fragment uit de vertaling:

Nu heb ik tot nog toe echter zo gesproken alsof de mens niets anders is dan een eenzaam, peinzend en invoelend wezen waarin ideeënassociaties en herinneringen rondspoken. Maar als ik al een wereld ben die uit werelden en werelden en nog eens werelden bestaat, en waarin elke innerlijke wereld telkens nieuwe werelden oproept die via mij willen versterven; dan zijn er immers ook nog werelden van werelden buiten die zich via mijn organen en zintuigen met mij verbinden, vermaagschappen, trouwen, mij vernieuwen, zichzelf vernieuwen, me veranderen, zichzelf veranderen, nieuwe werelden erbij slepen en creëren, oude te hulp roepen willen. En zo groot en in het verste almaar verdergaand als het oneindig grote is, zo groot en in het fijnste almaar fijner wordend is wat de mensenkinderen het oneindig kleine noemen. Ook de gevoelspunten, die voor mijn innerlijk gevoel eindpunt en sluitstuk vormen, zijn geen gegeven grootte die zich met andere dergelijke grootten verbindt tot een ik: ze zijn in zichzelf en voor zichzelf weer een hele wereld die is opgebouwd uit eeuwigheden. We moeten doorzien, dat de deelbaarheid van het ik naar het oneindige neigt: dat wij alleen inzake de lichamen van atomen en inzake de innerlijke wereld van gevoelspunten spreken, omdat de aandacht verlamd raakt en de waarneming het niet meer kan bijbenen, en omdat we voor ons spreken en ons herhalen van het unieke, anders gezegd: voor onze kennis van de wereld als geheel beweging en richting en kruising moeten vervangen door ruimte en dingen en punten. Omdat wij, hier en nu sprekend van de wereld als geest, geen eenvoudige en kinderlijk foutieve termen willen gebruiken – al het eenvoudige is verkeerd en de uitdrukking ‘simplex sigillum veri’ is wel heel overweldigend eenvoudig –, dat wij zulke fletse en onbestemde wendingen als voortbeweging, verdergaan, stromen en dergelijke verder nog gebruiken, omdat we naar mogelijkheid een beeld willen geven van het oneindig gecompliceerde, moeten we de ruimtelijke taal en de zintuiglijke beelden te hulp roepen en van gevoelspunten spreken, alsof wij de golven van de oceaan menselijke namen wilden geven om van hen te kunnen vertellen. Wie ook maar voor een moment kan voelen wat dat betekent: de oneindigheid van de werelden, wat voor een oneindigheid van oneindigheden dat is, en wie daarbij merkt hoe eigenaardig stil het gewoonlijk daarbij toch eigenlijk toegaat, die overvalt wellicht iets van een inzicht waarom alles elkaar toch zo merkwaardig vreemd moet blijven, waar die oneindige, onmetelijke en nooit te overbruggen afstanden tussen de oneindige werelden vandaan komen, waarom er niet één Ik van de wereld bestaat, maar zo enorm en gruwelijk vele.