De stupor van Rinck


Onderstaande tekst sprak ik uit tijdens de presentatie van de bundel Honingprotocollen van Monica Rinck. Die vond plaats bij Perdu, op 27 maart jl..

 

Honingprotocollen Rinck

 


DE STUPOR VAN RINCK

 

 

Lang geleden, toen ik studeerde, op dat moment te Utrecht, toen een broeinest van logisch positivisme, was er een student die smaalde: ‘Lucebert is zo’n dichter die doet alsof hij meer weet van de werkelijkheid dan wij.’ Het is de opvatting dat een gedicht op gelijke voet staat met elk ander setje uitspraken, ons dus (eventueel nog emotioneel getinte) waarheden over de werkelijkheid moet verschaffen, en als die niet meteen aan de regels vallen af te lezen, dan komt dat doordat de dichter de kluit wil belazeren, een dikdoener, een charlatan is. Het is overigens niet alleen de opvatting van een jonge betweter uit Utrecht: ook onder volwassen literatuurkenners kom je haar nog altijd tegen.

Ik moest eraan denken, toen ik eenmaal was begonnen aan Monika Rincks Honingprotocollen. Die lijken op het eerste gezicht niet heel erg veel over de werkelijkheid te vertellen, al suggereren ze wel dat er iets diepers aan de gang is, maar wat precies wordt niet meteen duidelijk. Daar hoor je mij niet over mopperen, maar ik had nauwelijks aan die ene mopperaar gedacht, of ik stuitte op het gedicht ‘De vergissing’, dat een echo leek te vormen van de Utrechtse jongeling:

Erreur. Terreur. Ik heb de hele tijd alleen het verwijssysteem gewist.
Het spul zelf is er nog, maar men weet niet meer waar. Het lag
ergens onder, in de derrie, begon te groeien.

Hier spreekt diezelfde idee van een of andere wezenlijke waarheid, die zich echter niet meer laat opduikelen; de dichter weet ervan, weet vermoedelijk zelfs waar het om gaat, maar ze onthoudt de lezer stelselmatig de middelen om het op te sporen, en dus gaat het zelf maar aan de gang, ergens tussen de smeerboel der dingen. Dat wil zeggen: tussen al die verschillende verschijnselen uit de wereld die in Honingprotocollen langs elkaar heen schuiven, elkaar becommentariëren, elkaars gangen onderbreken, elkaar belachelijk maken, zich vooral ook met elkaar verweven. Ik noem er een paar: mussen, de ruimte met alle mensen erin, de transformator van je feeling, leeggeschudde loges, een nevelpaardje, de Siberische bergwind, PENG! De staatsgreep, en nog een stel intellectuele iconen zoals Wittgenstein, Nietzsche en Lucretius.

Maar al dat door elkaar gehusselde wordt wel degelijk stevig bijeengehouden: alleen al door die ene welluidende stem, speels en levendig, maar strak geordend door binnenrijm, alliteratie, slimme enjambementen, of zoals de bundel zelf zegt ‘Gemengde dactylen, huppelende ritmes, binnenwereld van binnenrijm’; maar zeker ook door die ene frase, die regelmatig de gedichten opent: ‘zo honen honingprotocollen’.
Die regelmaat van herhaling wekt de indruk dat je daar dat weggemoffelde verwijssysteem vinden kunt. Honingprotocollen dus: alsof er waarachtige Protokollsätze in de weer zijn, van die strak aan het protocol der grammatica beantwoordende zinnetjes die de wereld moeten tonen zoals zij is, het grote ideaal der logisch positivisten. En dan honing: niet alleen een zoet goedje voor bij het ontbijt, dat overal tussendoor kan glippen en in honingraten uit nectar gewonnen wordt, maar zeker ook voorzien van een brede culturele, symbolische geschiedenis, een wereldomspannend verwijssysteem met stevige neiging naar het transcendente.
Laten we ons, nog opmerkend dat Rinck onder meer religiewetenschappen heeft gestudeerd, tot de christelijke traditie beperken. Uit Exodus 3:8 kennen we het na te streven Kanaän als land van melk en honing; in Psalm 119 treedt honing op om de verleidelijkheid van het gestrenge woord Gods bij benadering aan te duiden: ‘Hoe kostelijk uw woorden te proeven: / bij het zeggen zoeter dan honing’. Of maakt in Rechters Simson het kadaver van een zojuist door hem verscheurde leeuw open, dan stuit hij op een bijenzwerm en honing: symbool voor nieuw leven dat vervat ligt in de dood. Welbespraakte heiligen heetten dan weer honingzoet: hun taal, zou je kunnen zeggen, bestond uit ‘honingprotocollen’. En als we het dan toch over taal hebben, de Nederlandse literatuur kent natuurlijk dat ene klassieke, christelijke geïnspireerde honinggedicht, ‘Het lied der dwaze bijen’ van Martinus Nijhoff, met als openingsstrofe:

Een geur van hoger honing
verbitterde de bloemen,
een geur van hoger honing
verdreef ons uit de woning.

Maar waar Nijhoffs hoger honing de bijen nog verwarde door ‘een zacht zoemen, / een steeds herhaald niet-noemen’, zijn eigen onbereikbaarheid op de voorgrond plaatste, doen de honingprotocollen van Rinck, die verslagleggingen van iets onbestemds hogers of wat daarop lijkt, het helemaal anders: zij honen Zij vormen dan wel een taal die op een of andere wijze verslag wenst te doen van iets hogers, iets zoets, iets verlokkelijks, iets dat in de buurt komt van een fundamenteel inzicht in de werkelijkheid, zoiets als het goddelijke, het transcendente, maar: zij honen. Dat deed het goddelijke, vroeger nooit. Het vervloekte, met veel overgave, maar honen? Nee.
Voor honen heb je namelijk een minimaal gevoel van humor nodig, en daar was het goddelijke nooit zo goed in. Honen houdt zich in: je ziet wel iemand iets verkeerds doen, en je wil hem graag eens flink in zijn hemd zetten, maar zonder hem meteen van het podium te verjagen, hem uit zijn ambt te ontzetten, laat staan gewapenderhand tegen hem te velde te trekken of ettelijke plagen over hem af te roepen. Je vindt hem wel verwerpelijk, maar laat hem, als het erop aankomt, in zijn waarde. Misschien bied je hem zelfs nog een kans. Zo ging het transcendente met al zijn vervloekingen vroeger niet te werk. Dat hebben we alvast gewonnen.
Om goed te honen, is het wel altijd fijn om dat met zijn allen te doen: honen is fundamenteel collectief. Het transcendente is dus opgesplitst in meerdere individuen. Maar wie worden er dan weggehoond, en wie honen er nu precies, wie zijn dat, die honingprotocollen? Achter zulke verslaggevingen van iets onbestemd hogers zou je al bijna de hele verzameling gedichten uit de wereldgeschiedenis vermoeden, als taal waarin het transcendente meetrilt, waarbij de voorwerpen van hoon dan al diegenen zijn die niet die poëzie zijn, of er geen snars van begrijpen, in hun gewone dagelijkse omgang met de werkelijkheid. Maar wat doen ze dan precies verkeerd, waar hebben die honingprotocollen zo’n hekel aan?

Je krijgt er als lezer gaandeweg een vermoeden van, en dan is het mooi om halverwege de bundel op een gedicht te stuiten dat een heel eind aan de vermoedens tegemoetkomt. Het gedicht ‘Toestand’ begint duidelijk genoeg:

Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen: analyse kan ook stupor zijn.
Als dat zo is, wat is stupor? Stupor is verdoving door begrippen.

Kortom, we kunnen de dingen verstandelijk blootleggen zoals ze zijn, maar juist daardoor bevriezen we ze ook, leggen we ze vast in de begrippen, raken we zelf verbijsterd, zijn we dus niks opgeschoten. Dat wordt ons hier op een heel begripsmatige, analytische wijze voorgehouden. Al is er wel dat ietwat uit de toon vallende woord ‘stupor’: het zal, zo zullen we nog zien, betekenisvol blijken.
Het gedicht gaat op eenzelfde rationeel betogende toon verder, al loopt het daar snel in vast, niet ongebruikelijk voor deze honingprotocollen:

Dus beweer ik: coherentie is hier een fetisj, zelfs een vloek. We willen
ze niet meer. Wat is vloek? Negatief uitverkoren zijn, het tegendeel
van zegen. Wat is zegen? Zegen is, ach, bedenken jullie zelf maar iets.

Die komische sprong buiten dat schijnbaar zo heldere rationele vertoog is tegelijkertijd uiterst consequent. Immers, als een analyse je via begrippen verdoven kan, en je juist dat wil weghonen, dan moet de ander zelf maar iets kunnen bedenken: hij moet uit het verdovend vastgelegde willen springen, voorbij willen gaan aan de conventies van het denken.
Maar ook dat blijkt niet helemaal je dat, en dan loopt zelfs het niet verdoofd willen raken uit de klauw, al lijkt er een oplossing in zicht:

Voorbij de conventie is het afgelopen met consideratie. Helemaal verkeerd!
Nou, wat is verkeerd? Verkeerd is als de ene blind van tranen door de toestand
en de ander de toestand helemaal niet ziet. Daarheen gereden waar, zo bleek
geen muur was, toen het knalde. Holding, wenkbrauw, haar. Wat te doen?

Staat ons hier, waar de dingen verkeerd gaan, waar het denken binnen de vastgelegde toestand van de werkelijkheid, tegen muren op knalt, ja, zelfs tegen holdings, die op een lijn worden gesteld met wenkbrauwen en haren, ijdele omkransing van geest en gezichtsvermogen, een terugkeer naar Lenin te wachten, die immers in zijn geschrift Wat te doen? de strategie van de communistische beweging ontwikkelde en ons vergastte op het principe van het democratisch centralisme? Moeten we toch terug naar een vastlegging van algemene strevingen onder een banier? Moeten woorden alsnog worden gereduceerd tot hun strijdbare kwaliteit van algemeen inzichtelijk begrip? Het ziet er niet naar uit:

Laat je betoveren! ’t Komt niet tevoorschijn. O wat zijn begrippen goedkoop, scherp,
en waar ze dun zijn, zijn ze dun als draad waarmee je snijdt,
dunne schijven van iets dat geen mens meer gebruiken kan.
Er ligt hier geen script voor me klaar. Dat is duidelijk. Voorbij de conventie
moet alles opnieuw berekend worden, ook het fatsoen, zelfs de reden.

Dus er ligt geen script klaar, niets dat in de buurt komt van democratisch centralisme, en het hoofd, dat zich eventjes moest laten betoveren zonder dat het iets opleverde, moet zich weer afbeulen met berekeningen, om gedrag en werkelijkheid te funderen: dat wordt eens te lastiger, omdat zelfs niet duidelijk is, waar we het precies over hebben:

Wat is reden? Reden is het dunne oppervlak waarop alles steunt en
waar alles doorheen breekt. En fatsoen is dan alsjeblieft wat? Ach, laat me toch.

Ja, die honingprotocollen, eigenwijs en spotziek als ze zijn, willen niet eens zeggen, hoe het zit. Ze willen botweg met rust worden gelaten. En dan bieden ze toch nog een laatste handreiking, maar dan is het weer niet goed:

De toestand zit muurvast. Moet de analyse ook niet zo zijn, opdat ze deugt?
Solve et Coagula! Nee. Dat laat zich maar heel langzaam in de tijd oplossen.

Hier eindigt het gedicht, maar al wordt de Latijnse handreiking meteen weer overboord gekieperd, zodat we niks zijn opgeschoten, toch is ze veelzeggend voor het geheel van de bundel. Al is dat laatste weer een lastig woord, het veronderstelt een toevallig bij elkaar vegen van gedichten, terwijl die hier een duidelijke, meer of minder planmatige reeks vormen, precies volgens het principe van ‘solve et coagula’: ‘los op en verbind’.

Dat is een centraal alchemistisch uitgangspunt, als een archaïsche basisregel van wetenschappelijkheid, zij het ontstaan met als doel het scheppen van goud. De werkelijkheid moest in zijn samenstellende delen worden ontleed, geanalyseerd, om dan creatief weer bijeen te worden gebracht, om van daaruit de uiterste materialisatie van het goddelijke, goud, te bereiken. En goud kun je nu eenmaal moeilijk in de tijd oplossen, wat klaarblijkelijk toch, volgens dit ene honingprotocol, een goed idee zou zijn. De honingprotocollen schijnen in het algemeen nogal te houden van de tijd (wat dacht u hiervan: ‘Maar kijk, het kwetsbare leven ’s morgens is toch niet niks!’), al representeren ze tegelijkertijd de taal van het hogere, het transcendente: ze willen dus dingen die nauwelijks samen kunnen gaan, blijkbaar toch met elkaar verbonden moeten worden. Zoals de hele reeks gedichten constant in doldraaiende argumentatiekunst dingen bijeenbrengt die helemaal niet bij elkaar horen (weer zo’n voorbeeld: ‘als je naar de kiosk gaat, breng houtsnijders mee en selderie. Dat wil zeggen,/ tabak en wodka.’), en voor je het weet, ook van elkaar weglopen, soms ongekend komisch, zoals in het gedicht ‘De soufflé’, waar het ‘solve et coagula’, als de ingrediënten van een soufflé worden opgevoerd, nooit zover komt dat er ook werkelijk een soufflé wordt gemaakt, de discussie met de teleurgestelde maaltijdgasten uitloopt op een volgende versmelting van tegenstellingen:

Zo bekeken is ook het pure
troebel, zeer troebel. Waarbij de troebelheid volhardt het pure aan haar kant te hebben.
Maar de gasten hebben gelijk als ze zeggen: een soufflé ziet er anders uit.

Zeg dat wel, want uiteindelijk zitten die gasten met een oneetbaar gedicht opgescheept, dat zelfs niet meer weet, wat nu precies puur of troebel is: waarin het ‘coagula’ dus zelfs verbindt wat bij uitstek niet verbonden worden kan.
Dat virtuoze spel met eindeloze aantastingen van zuiverheid staat niet op zichzelf. Je kunt het zien als een volgende voortzetting van de maniëristische traditie, zoals die door Gustav René Hocke in zijn fascinerende, tweedelige studie Die Welt als Labyrinth en Manierismus in der Literatur, in zijn tijd een bestseller, werd blootgelegd. De mens van de late Renaissance (de overgangstijd naar de in Honingprotocollen ook opgevoerde Barok) had zich dan wel via de werking van het individuele verstand bevrijd van de alles voor zichzelf opeisende macht van God, hij stond tegelijkertijd tegenover de natuur waar hij met zijn verstand niet bij kon; waardoor hij zich dus bedreigd voelde. Bovendien had je nog de menselijke natuur, en die leek zich vooral met oorlog bezig te willen houden. De mens had zich wel een eigen plek veroverd tegenover God, maar waartoe?

Om aan die wanhoop het hoofd te bieden, probeerden de maniëristen op rationalistische wijze tegenstellingen met elkaar te verbinden, wat het best werkt als de tegenstellingen zo extreem mogelijk zijn. Het alchemisme mocht dan wel als irrationeel zijn ontmaskerd, het gold nog wel als een methodische leidraad. Dit principe van Concordia Discors (of ook Discordia Concors) doelde uiteindelijk op, we kwamen het woord al tegen, stupore, op verbijstering bij de beschouwer, de lezer. Zo is het eerder door de honingprotocollen opgevoerde ‘stupor’ dus welbeschouwd verkeerd gebruikt: voor de maniëristen ontstond de stupor pas bij het coagula, niet bij het solve, zoals hier. Maar juist dat verkeerde gebruik is precies zoals het moet. Juist tegenspraken drijven het maniërisme voort, dat volgens Hocke zelfs een van de belangrijkste inspiratiebronnen achter Rimbaud (denk alleen al aan het ‘alchimie du verbe’) en het surrealisme vormt; een groot hedendaags dichter als Paulus Böhmer maakt er expliciet gebruik van, en in die stroom drijven ook Rincks honingprotocollen voort. Die vertolken daarmee ten uiterste, wat door Julia Kristeva als wezenlijk aan poëzie werd beschouwd: de negativiteit, het simultaan optreden van het mogelijke en het onmogelijke, van het reële en het fictieve.
Niet voor niets komen we ergens in kapitalen het woord ‘NEE’ tegen, en zelfs tot in de vorm zet Monika Rinck die weerspannigheid door: haar honingprotocollen zijn gedichten die met al hun stuklopende redeneringen ook nog eens doen alsof ze prozagedichten zijn, nergens een witregel te bekennen, maar die desondanks niet rechts uitlijnen. Ze zijn komisch en kosmisch tegelijkertijd, roepen de suggestie van politieke, zelfs ecologische stellingname op (denk aan de maniëristische wanhoop omtrent de natuur), verwijzen naar filosofen, gooien al hun diepzinnigheden binnen de kortste keren weer overboord, zonder ze volledig weg te ironiseren. Er blijft een moment van zorg, in de zin van Heidegger: de betrokkenheid bij de wereld. Het staat er, in het gedicht ‘Opmaken door dupliceren’: ‘Verwacht de terugkeer van de zorg’ of ook ‘Sta middenin je zorg. Wees je eigen hoon.’

Kortom, zorg ervoor dat je zelf iets wordt als honingprotocollen. Toch maar geloven in zoiets als Nijhoffs ‘hoger honing’, niet om je uit de woning te laten verdrijven; maar zodat de poëzie in ons weer tot zichzelf komt, een taal waarin het weefsel van de werkelijkheid tot een hogere, dus heel verhaspelde orde weet te komen, waarin alles contact met elkaar mag aangaan, het zuivere noodzakelijkerwijs troebel is, in een sfeer van zoet dat ontsnapt, doordringend steeds verlokt. Ja, dichters weten heus wel wat over de werkelijkheid, juist als ze zich consequent tegenspreken.