Kim Hyesoon – Vuilnis


Recent verscheen bij BOZAR (Paleis voor Schone Kunsten, Brussel) de brochure I Shit Like a Garbage God; Het feminisme in 14 gedichten, te beschouwen als de literaire interventie in de tentoonstelling Woman. The Feminist Avant-Garde from the 1970’s. Work from the Sammlung Verbund. Onder redactie van Daniela Seel worden hierin 14 feministische dichteressen voorgesteld.

Daaronder ook de Zuid-Koreaanse dichteres Kim Hyesoon (1955). Het in de brochure opgenomen gedicht ‘Vuilnis van de hele wereld verenigt u!’ werd in 2010 door mij vertaald voor Poetry International, waar Kim Hyesoon destijds optrad. Haar alom geprezen en meermaals bekroonde werk verbindt een opstandig onderzoek naar wat het betekent vrouw te zijn in het Korea van vandaag de dag, aan literaire procedés in de verstorende, fantasierijke traditie van Yi Sang.

Hieronder drie verdere gedichten van Kim Hyesoon, zoals vertaald voor Poetry International.

*


HET NAAKTE LICHAAM VAN IJS

ben je wel eens ergens geweest waar witte sneeuw lag opgeslagen
ben je wel eens in een hagelpakhuis geweest?

ben je wel eens in een ijspakhuis onderzee geweest?
heb je wel eens door water geknede vissen de adem zien inhouden?

heb je toen het sneeuwde in je hart
iemand zien ondergaan in almaar hogere sneeuw?
heb je de zwarte maan zien huilen
die in de sneeuw boven kwam drijven
toen die persoon bij het wakker worden de ogen opensloeg?

heb je ooit in een trein rap als een pijl
de witte bergen willen vastpakken waar de pijl doorheen joeg?
kon je het koude staren van die bergen verdragen?

heb je ooit iemand gezien die in een gloeiend hete zomer dat groot
stuk ijs als gepijnigd in een deken wikkelde en zijn tranen afveegde ?
heb je ooit het naakte lichaam van ronduit heet ijs betast?

heb je ooit de tranen opgevangen en gegeten
van iemand die midden in de nacht huilend wakker werd?
heb je er ooit aan gedacht hoe het voelt als hard ijs smelt?
kortom luister goed de ijsvrouwe spreekt
ben je ooit in een hagelpakhuis geweest?
heb je ooit wezenloos in een hagelpakhuis gestaan
waar alles weggesmolten was?

*

GEZICHT

Er zit een andere jij in jou

De jij in jou trekt jou stevig binnen in je lichaam en zo rollen jouw vingertoppen naar binnen op en ook wordt jouw oorschelp in wervelingen je lichaam ingezogen op het moment dat de jij in jou de hand loslaat die aan jou trok zul jij misschien uit deze wereld treden

Jouw gezicht is in de aanblik van de jij in jou die jou strak aantrekt verhard soms leunt dat gezicht ook over naar mijn gezicht buiten jou en ook voel ik jou in de jij die mij met de twee pupillen van je ogen bekijkt maar de jij in jou heeft nog niet een keer de hand losgelaten die trok aan jou onveranderlijk ben jij strak aangetrokken diep zijn nu de rimpels in je gezicht door het verdragen van de druk

De jij in jou is wel zo sterk dat de ik in mij op het punt staat bij jou naar binnen te worden getrokken

Nu drink jij een glas rode druivensap met wat kaas in de hand

De ik in mij herinnert zich dat kaas wordt gemaakt van melk en meteen maak ik mij er druk over welke koe in een koe die melk naar buiten liet spuiten

Ook al ben jij ver van hier vandaan de jij in jou is altijd weer hier de jij in jou kan ik niet wegsturen of uit de weg gaan

Ik ben misschien de gijzelaar van een afwezige

Terwijl de ik in mij stevig aan mij trekt blijf ik zeker in leven maar sterker nog de kaas die elke ochtend van de mij in mij wordt gemaakt wil ik aan jouw tafel opdienen

*


DE VROUW MET DE RODE SCHAAR

naast de vrouw die bij gynaecologie naar buiten komt
houdt een oude vrouw een klein kind in de armen

de benen van de vrouw lijken wel een schaar
haar tred knipt gehaast het besneeuwde pad uiteen

maar de schaarbenen zijn papperig als vette regenwolken
afgelopen nacht stak de vrouw gillend haar twee schaarbenen
in de hoogte, wat knipte ze toen –
tussen twee benen waaruit een bloedrode schemering gutste

de hemel splijt telkens weer de ochtend na de sneeuwstorm
een heldere lichtflits die pijn doet aan de ogen
gaat de waggelende vrouw achterna
de oogverblindende deksel van de hemel gaat open en dicht

hoe bang moet God wel zijn geweest
toen de vrouw die al het fruit van de boom
die God had geplant opat
een voor een de rode lichamen
van tussen de benen wegsneed

toen tussen de twee vette rode benen van die wolk
van die hemel van die wonde die elke ochtend opengaat
het rode hoofd werd losgeknipt

(leeft dat bloed in mij?)
(leef ik in dat bloed?)

die vrouw die voorop loopt
die vrouw die in haar loop met gloeiend lichaam
de koude schaduw uiteenrijt

als in een ochtendlijke zee vol vis
zwemmen talloze pasgeboren baby’s
in de kleverige traag plonzende golven van rood bloed
in de spiegel wit als een sneeuwpakhuis in het lichaam van de vrouw