Zwarte Piet en Settela Steinbach


Het land dat kort geleden vooral lacherig deed over de oproep van de Niedersächsischer Verband Deutscher Sinti e.V. tot een verbod op het woord ‘zigeunersaus’, loopt plots te hoop om een andere symbolische kwestie: Zwarte Piet.

Tegenstanders van Zwarte Piet reageerden daarbij onder meer vol verontwaardiging op de analogie van de voorstanders met ‘blanke vla’. Die mensen hoorde we echter niet, toen de analogie voor het eerst werd getrokken – als giechelend tegenvoorbeeld van ‘zigeunersaus’. Terwijl toch nooit blanken vanwege hun blankheid eeuwenlang als slaven werden gehouden, of ook: door een of ander regime in grote getale werden vergast.

Paren we de lacherigheid over ‘zigeunersaus’ bovendien aan de relatieve stilte, die viel toen minister Asscher zich negatief uitliet over Roemenen en Bulgaren, dan wordt de drukte over Zwarte Piet eens te opmerkelijker.
Het verschil roept wat vraagjes op over het feitelijke antiracistische gehalte van dat Zwarte Piet-antiracisme. Het wekt de indruk in de buurt te komen van Orwells ‘some animals are more equal than others.’ Dat is zeker het geval bij al die nadruk op de slavernij waaraan mensen met Afrikaanse achtergrond lang door Nederland werden onderworpen. Die verschilt namelijk niet fundamenteel van de slavernij die Roma enkele eeuwen lang op de Balkan moesten ondergaan.

Maar goed, Roma (en Roemenen en Bulgaren) hebben (zo op het oog) weinig van doen met ons nationale volksfeest nummer één. Dus hoeft men zich over hun discriminatie niet al te druk maken. Hoeft men zich ook niet te realiseren, dat de dreigende dijkdoorbraken, waarvoor minister Asscher ons inzake Roemenen en Bulgaren waarschuwde, niet alleen een (dixit NOS Journaal) ‘typisch Nederlandse beeldspraak’ vormen , maar ook rechtstreeks vallen terug te vinden in Männerphantasien, de klassieker van Klaus Theweleit over de psychologische achtergronden van de fascist. De dijkdoorbraak-metaforiek komt daarin juist als typisch voor zulke lieden om de hoek kijken. Ze was ook eens te opmerkelijker, omdat Roemenen en Bulgaren, vanuit hun oosten, vast niet over zee Nederland binnentrekken (en we ons sowieso niet druk maken over het groeiende overstromingsgevaar vanwege klimaatverandering, maar dat terzijde). Al met al deed de sociaaldemocratische poging om bij het PVV-electoraat in het gevlei te komen nauwelijks ter zake, voor de meeste openbare antiracisten.

Het gedoe rond het nationale volksfeest wekt daarmee de verdenking vooral een rel over het Nederlands zelfbeeld te zijn. Of eigenlijk: over het schone blazoen van de blanke Nederlander, veel meer dan om waarachtige zorg vor de gevoelens van de Ander.
Immers, zet je de lacherigheid over ‘zigeunersaus’ af tegen de druktemakerij over ‘Zwarte Piet’, dan kun je enkel concluderen dat Roma buiten de Nederlandse cultuur worden geplaatst. Dat hier al sinds het begin van de 19e eeuw de Roma-stam der Sinti thuis is, doet niet ter zake. Zoals ook niet ter zake doet, dat het bekendste beeld uit Westerbork die ene foto is, waarop we het Nederlandse Sinti-meisje Settela Steinbach naar buiten zien kijken. Settela Steinbach
Het is niet voor het eerst: typerend genoeg, werd zij lange tijd voor joods slachtoffer aangezien. En zeker: van haar zijn geen dagboeken overgeleverd, maar binnen de Nederlandse cultuur bekleedt zij minstens die ene symbolische positie van foto van nazi-slachtoffer.
En van een vrolijker kant beschouwd: ook het simpele feit dat Rafael van der Vaart, een van de betere Nederlandse voetballers van de laatste jaren, Sinto is en al menigmaal voor Oranje speelde, doet er niet toe.
We hoeven ons niet het hoofd te breken over het begrip ‘zigeuner’, zoals we ons wel het hoofd moeten breken over een van de samenstellende delen van het nationale volksfeest. Dat geldt klaarblijkelijk ook voor de gemiddelde blanke Zwarte Piet-antiracist.

Diens opwinding vertoont daarmee zelf racistische trekken. Eens te meer, als je bedenkt, dat de consternatie niet gaat om een aanduiding van echte mensen, maar om eventueel negatief bedoelde symboliek.
Het woord ‘zigeuner’ verwijst echter wel degelijk naar echte mensen, zoals ook de woorden ‘Roemeen’ en ‘Bulgaar’. Ten aanzien van het symbool ‘Zwarte Piet’ viel regelmatig het argument: ‘als mensen zich daardoor beledigd voelen, moeten we daar rekening mee houden.’ Zulke woorden verluidden echter nergens over ‘zigeuner’, een woord dat rechtstreeks naar mensen (die zich er door beledigd kunnen voelen) verwijst. Echte mensen zijn klaarblijkelijk minder belangrijk dan symbolen.

Nu werd ook over de herkomst van de term ‘Zwarte Piet’ een tijdlang flink gestreden.
De verdedigers van Zwarte Piet verwezen graag naar oude rituele gebruiken, die los stonden van Nederlandse slavenhandel, wat kan kloppen, maar op zichzelf niets zegt over het symbolisch gebruik van termen. Dat we nog altijd spreken over ‘de telefoon ophangen’, wil niet zeggen, dat we die telefoon ook nog altijd feitelijk ophangen, of zelfs maar menen dat we dat doen.
Enige Zwarte Piet-tegenstanders verwezen van hun kant naar de 19e-eeuwse origine van de term: het boekje “Sint Nicolaas en zijn Knecht” uit 1850, van de onderwijzer Jan Schenkman. Men wees erop, dat dit boek verscheen tijdens de nadagen van de slavernij. Dat feit alleen duidde op een racistische angstbezwering voor wat er kon gebeuren, als onze zwarte slaven in vrijheid werden gesteld.

Dat zou kunnen, maar het hoeft niet. Je kunt ook beweren, dat Schenkman zijn inspiratie haalde bij een vanuit Duitsland overgewaaid verhaal over Schwarzer Peter. Die naam had niks te maken met de etnische achtergrond van de figuur, maar alles met zijn eigenlijke beroep. Schwarzer Peter heeft werkelijk bestaan: hij was een struikrover die begon als kolenbrander. Hij zag letterlijk zwart. Het nieuws zag ook lange tijd zwart van hem: hij beging een lange reeks diefstallen, inbraken en roofovervallen, en werd uiteindelijk opgepakt voor een roofmoord. Hoewel hij die niet had begaan, leverde hem dit wel levenslange gevangenisstraf op. Zijn dag van overlijden staat niet geboekstaafd, maar dat moet in de jaren na 1812 zijn geweest.
Gezien de moreel opvoedende taak, die zeker in de 19e eeuw een onderwijzer had, is het denkbaar dat Schenkman zich liet inspireren door precies die figuur. Een veelbesproken boef als knechtje laten dienen voor de goedheiligman zou je als een pedagogische meesterzet kunnen beschouwen: ‘Kijk, kindertjes, Schwarzer Peter kan de goedheiligman helpen, dus jullie toch ook?’ Geen idee of het zo is, maar de mogelijkheid valt niet uit te sluiten.

Roemenen en Bulgaren delen trouwens wel degelijk één dingetje met Nederlanders: hun christelijk-orthodoxe verering voor niemand minder dan … Sint Nicolaas. Hij is er misschien wel de belangrijkste heilige.
Dat die daar echter door het leven gaat zonder Zwarte Piet, is om twee redenen opmerkelijk.
Als Zwarte Piet inderdaad een heidens gebruik zou zijn, dan zou je hem juist verwachten in streken waar talrijke heidense gebruiken op het platteland pas door het communisme de kop werden ingedrukt.
En bovendien, van de andere kant: als Zwarte Piet verwijst naar slavernij, zou je hem ook eens te meer verwachten in contreien waar men tot in de negentiende eeuw een heel volk als slaven hield, de Roma. Nota bene in eigen omgeving, en niet in verre kolonieën.
Maar niets van dat al. Het versterkt het vermoeden, dat de Zwarte Piet van Schenkman familie is van de Schwarze Peter, oftewel kolenbrander Johann Peter Petri uit de Hunsrück. Wat in elk geval geldt voor de zwarte piet als kaartspel.

Inderdaad, dit zegt niets over het feitelijke gebruik van de term. Maar wie zich druk maakt over dat feitelijke gebruik, dient zich ook meteen het hoofd te breken over de vraag, waarom hij niet in staat was tot ook maar een beginnetje van begrip, toen werd opgeroepen tot een verbod van ‘zigeunersaus’, wegens de verwijzing naar het bloed van slavernij en genocide.
Of wilde men de Nederlandse multinational Unilever, door de Nedersaksische vereniging op dit punt aangesproken, die moeite besparen? Was het economische hemd nader dan de antiracistische rok?

Hoe blank wil men het blanke blazoen nu precies?
In de hele discussie speelde Sint Nicolaas namelijk geen rol van betekenis. Stilzwijgend werd aangenomen, dat hij de blanke onderdrukker symboliseert. Nu kan dat zeker het geval zijn (denk weer aan het ophangen van de telefoon), maar je kunt het perspectief ook een slagje draaien. Je kunt je realiseren dat de historische figuur Sint Nicolaas afkomstig is uit Klein-Azië: het latere Turkije. Het Nederlandse volksfeest bij uitstek speelt zich dan primair af rond een etnische Turk, niet rond een Nederlandse slavendrijver.

Hoe antiracistisch is het om er stilzwijgend van uit te gaan, dat de Turkse bisschop als man van blank blazoen verwijst naar etnische blankheid? Dat is niet antiracistisch, het is er eerder precies het tegendeel van.
De discussie over Zwarte Piet gaat in laatste instantie over het blanke blazoen van de blanke Nederlander.
Ze heeft niets van doen met Settela Steinbach.

En dan: antiracisme wordt pas waarachtig antiracisme, zodra men accepteert dat het ook gaat geld kan kosten. Heel stil was het echter de laatste weken over het feit, dat 14 landen uit het Caraïbisch gebied (waaronder Suriname) het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Nederland hebben aangeklaagd vanwege hun slavendrijversverleden. De kwestie zal bovendien (op termijn) niet in een ver buitenland gaan dagen, maar voor het Internationaal Gerechtshof te Den Haag. Mocht nu die klacht worden toegewezen, zal Nederland een flink bedrag ter compensatie moeten betalen. In dat geval is bovendien een precedent geschapen, bijvoorbeeld voor eisen vanuit Afrika (Zuid-Afrika in Nederlands geval) en Azië (Indonesië). Je daar publiekelijk over uitspreken beslist over de waarde van je antiracisme; een antiracisme dat ver boven het symbool ‘Zwarte Piet’ uitschiet.