telkens


 

 

Wat wij niet willen, je hebt
’t telkens toegegeven, wat we
nooit aanvaardden, daar
tussen scheppingen van

het tegenovergestelde, tot
ik dit niemand kon aandoen, ik
heb het ook telkens verwijderd
ergens waar ik mij

niet toe – nee; ik heb dat
zeker nog een keer; kul; jij
wil dat allemaal constant,
telkens dus altijd opnieuw; je

houdt er telkens, tenslotte,
ik heb je daar nooit de –
toestemming, wat moest
dat hier telkens, ik heb je

altijd weer, telkens opnieuw,
waarom herhaling benadrukken,
vrijwel onzinnig, daaraan
vast te blijven, ik kan dit,

houden, nog altijd niet
geloven, tenzij jij nog eens
naar ons wegkijkt, beweert:
nee, telkens afgestaan