Laatste nummer Parmentier


Vooralsnog, zo weet men nu, is het afgelopen met Parmentier: het tijdschrift is gesneuveld onder de bezuinigingen. Het allerlaatste nummer, in elk geval in de gekende vorm, is verschenen.

doek

Het cultuurbeleid van het kabinet Rutte/Verhagen, botweg voortgezet door Rutte/Asscher, heeft het unieke geluid van dit blad, waaraan ik jarenlang met veel plezier en toewijding mijn medewerking heb verleend, gesmoord. Wellicht, zoals hoofdredacteur Arnoud van Adrichem in zijn redactioneel (en op de website) laat weten, is er nog ruimte voor een doorstart in een of andere nieuwe vorm, maar het blad zoals we het hebben gekend, is voorbij.

Daarbij is Parmentier natuurlijk maar een van de vele initiatieven die door Rutte/Verhagen/Wilders/Asscher over de kling worden gejaagd. 2013 wordt wat dat betreft niet het soort jaar waarom je elkaar ‘een gelukkig nieuwjaar’ kunt wensen: het is het jaar waarin de feitelijke omvang pas duidelijk gaat worden. Lodewijk Asscher en kompanen zullen wellicht nog enige sociaaldemocratische krokodillentranen plengen, onder het motto: ‘De VVD wilde in het nieuwe kabinet nog een volgende ronde bezuinigingen op de kunsten. Dat hebben wij tegengehouden.’ Maar daar staat wel iets tegenover.
Van alle linkse partijen was het de PvdA, die in het laatste verkiezingsprogramma de vaagste kunstenparagraaf van allen had. Ook was het de PvdA, die voor herstelwerkzaamheden het zuinigste had begroot. De partij wekte de indruk, dat zij op voorhand de kunsten tot wisselgeld voor onderhandelingen met de VVD had bestemd.

Je zou kunnen geloven, dat de PvdA vreesde te worden afgeschilderd als de partij van de elite, de partij die al die coke snuivende grachtengordeldieren met hun rare kunstfratsen ondersteunt, en dat kun je niet hebben, als je het Wilders-electoraat terug wilt winnen. Misschien zit het wel dieper. Arnoud van Adrichem haalt de uitspraak van Lucebert aan, volgens welke de kunsten altijd een zaak van de elite zijn, maar dan van de elite van de geest, waartoe in principe iedereen kan behoren. Het lijkt al bijna, alsof de Keizer der Vijftigers daarmee reageerde op het latere VVD/CDA/PVV-beleid. Dat is niet het geval. Hij reageerde juist op de linkse kritiek op de kunsten, zoals die vanaf de jaren 1960 bij ons weerklonk. Juist ter linkerzijde werd het stigma van de kunsten als elitaire bezigheid in het leven geroepen. De woeste kreet van amateurpianist Rutte (wiens publiek niet groter zal zijn dan zijn moeder en Jort Kelder), dat er geen overheidsgeld hoeft naar voorstellingen voor een halve man en een paardenkop, is niets anders dan een echo van dergelijke kreten uit het rode verleden. Vanuit die optiek is de onverkorte voortzetting van het cultuurbeleid met sociaaldemocratische ondersteuning dus allerminst een mirakel.

En ach, wat is elite? Janne Rijkers schrijft het al in het laatste nummer van het blad van de Vereniging van Letterkundigen: ‘Een artistiek beroep in Nederland loont zelden. […] De wereld van de intellectueel eigendom (overigens meer dan auteursrecht alleen) is in Nederland economisch groter en van meer betekenis dan de bouwsector. En toch komt vaak weinig van de opbrengsten terecht bij degenen die in het feite het essentiële werk doen.’
Je inzetten voor de inkomenspositie van kunstenaars zou nu juist bij uitstek een sociaaldemocatische daad hebben moeten zijn. Maar zolang Lodewijk Asscher de kunsten niet kan gebruiken voor het bestrijden van de prostitutie, zoals hij dat op de Amsterdamse Wallen heeft gedaan, waarbij hij dus twee van de laagst aangeschreven groepen van de samenleving tegen elkaar opzette, interesseren de kunsten hem als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bitter weinig.

Hoe dan ook, Parmentier is niet meer.
Zoals gezegd, ik heb er al die jaren lang met veel genoegen aan meegewerkt. In twee grote rondes: eerst in de tijd dat Jos Joosten redacteur was, later dan in de periode onder Arnoud van Adrichem. Hem komt de eer toe het blad, dat enigermate aan het zwalken was geraakt, weer te laten aansluiten bij de door Joosten ingezette koers. Dat heeft hij met veel verve gedaan, met grote inzet, onverschrokkenheid en ruimte van geest. Zijn inzet was dusdanig, dat menig medewerker zich wel eens afvroeg, hoeveel uren er eigenlijk bij Van Adrichem in een dag gingen. Maar Van Adrichems handelen wordt vooral bepaald door dat ene, een van de mooiste woorden uit de Nederlandse taal, onversneden geestdrift, in de allerbeste zin des woords.

Toen hij dan ook kwam met het verzoek om een bijdrage aan het laatste nummer, leek het me op zijn plaats om enige vertalingen aan te bieden uit het oeuvre van een dichteres wier werk evenzeer in het teken van de geestdrift staat, de Oostenrijkse Friederike Mayröcker. Een veelzeggend fragment uit die vertalingen bied ik hierbij aan:

[…] deze lust deze
zoetheid ik KLEEF aan deze vlam chantage aan dit
licht aan deze hemel, zeg ik, iets Hawaii Hawaï of wil
naar de BOURGONDISCHE TUIN boven madeliefje aarde… wat!
geflits / plotselinge engel, heb deze keer verzuimd
de eerste zwaluwen gade te slaan in hun vurigheid niet waar,
deze luchtprooi, wellust van de ogen, ach ik KLEEF aan dit
leven aan dit LEVENDGEDICHT.