Jonge stieren


In mei van dit jaar was ik in Roemenië, meer precies: de Donaudelta. Het een en ander vanwege een nieuw boekproject. Onderstaande tekst is een nog na te bewerken fragment over een dagje te Periprava, onooglijk dorp aan de noordelijke Donau-arm.

Ze kijken me aan. Ik zag ze al vanuit de verte. Drukke gebaren, mannen die even de brede straat opliepen, dan weer terugkeerden in een overdekte schaduw, en ik zie nu wat dat afdak te betekenen heeft: het is het terras van een café, en mannen met grove, gelooide gezichten, in werktenue, staren mij aan, gezeten aan ruw houten tafels, waarop hun flessen bier staan. Hun blikken zijn niet uitnodigend, eerder afwerend, bijna woedend, en even raak ik weer overmeesterd door de man in Tulcea, zijn grote, rood aangelopen hoofd, de manier waarop hij zijn brede borstkas aan mij opdrong, toen ik het waagde de kleurrijke tapijten over zijn schutting te fotograferen, en ik besluit door te lopen, zonder ook maar te groeten. Maar de aandacht wordt snel genoeg afgeleid, want speels jagen vijf jonge stieren langs mij heen, alsof de mannen plots van gedaante zijn veranderd, maar dat is niet zo, dit zijn gewoon stieren, nee, in de wereld van Periprava, dat weet ik heel zeker, zouden die mannen hun stuursheid kunnen afleggen om te veranderen in vrolijke jonge stieren, want mythes en sprookjes van natuurverbondenheid horen onvermijdelijk te zijn bij dit soort omgevingen, en zo waren het al jongemannen die mij opwachtten bij de wankele aanlegsteigers, niet jonge stieren, of wellicht waren zij wedergeboorten van overleden gevangenen uit het strafkamp dat hier vlakbij gelegen was, ik heb het nog niet gezien, ik heb erover gelezen, maar het doet er even niet toe, want de jonge stieren rennen koddig door de wat plomp benauwende warmte, over de opstuivende brede straat, ik zie het bruinrood van hun flanken hoog opdeinen, de koppen kijken elkaar brutaal en moedig aan, inspireren elkaar tot nieuwe capriolen, recht vooruit is eerst de gang, maar dan wordt de straat overgestoken, naar de zijde waar een huisje in mintgroen geschilderd staat te wezen, te midden van een weelderige tuin achter even mintgroene plankieren omheining, waarachter een blond meisje van een jaar of dertien eerst mij, maar dan vooral de stieren misprijzend gadeslaat, zoals zij door het zand stuiven, naar een overwoekerde omheining, naar een breed plankieren hek, waar zij niet voor stil blijven staan; waar zij sierlijk en lomp tegelijkertijd, met opgewonden geluiden, overheen springen, de ene na de andere, vijf op rij, kwajongens, je ziet het opgewonden besef iets te doen wat niet mag, en inderdaad, terwijl de stieren verdwijnen in het woekerende perceel rond de grauwe plankieren van de schuur, barst het blonde meisje uit in een woeste tirade, en vader wordt geroepen, en grootmoeder, voorovergebogen, wijd uitstaande jurk, blauwe overgooier, hoofddoek met gele en bruine, zie ik opdraven, en de vader komt wijdbeens op het perceel met stiereninvasie, en ik heb inmiddels begrepen vanwaar de consternatie, want tegen de grote grauwe plankieren van de schuur met het hoge rieten dak dat gemeten aan zijn kleur ook van een aanzienlijke leeftijd moet zijn, zit een houten bordje gespijkerd, waarop in grote letters staat gekalkt: ’te koop’ , vergezeld van een telefoonnummer. Het bordje zit er vermoedelijk al een paar jaar op, maar ja, je weet nooit, wat jonge stieren nog verder kapot kunnen maken, zoals je ook nooit weet wat je nog aan zo’n schuur kunt verdienen, ook aan deze uiterste rand van Roemenië, uiterste rand van de EU.