De handen van de toekomst


De afgelopen week is er her en der wat spottend gereageerd op het veelvuldige gebruik van de uitdrukking ‘over de eigen schaduw heen springen’, of zijn variant ‘over de eigen schaduw heen stappen’. We zullen het er even niet over hebben, dat de uitdrukking zelfs één keer (bij monde van Sybrandt van Haersma Buma) als ‘over de eigen schouder heen springen’ weerklonk.

Nu kan men spottend doen over het gemak waarmee de dames en heren politici, druk bezig met de budgettaire redding van Nederland, elkaar op dit idiomatisch terrein napraatten, ze gebruikten de uitdrukking in elk geval juist om te zeggen dat men afstand deed van principes omwille van een hoger belang. Men nam zelfs niet zijn toevlucht tot de een of andere verbastering uit het Engels.

Dat wil zeggen, niet wat betreft die schaduw. Een andere zinswending die de laatste dagen regelmatig weerklonk, was deze: ‘op zijn handen zitten.’ Hoewel het internet laat zien, dat de uitdrukking wel vaker wordt gebruikt, heeft ze de laatste dagen een enorme steun in de rug (ook wel geheten ‘boost’) gekregen door de formidabele inzet van bijvoorbeeld Alexander Pechtold en zelfs Diederik Samson. Ze is echter een rechtstreekse vertaling van het Engelse ‘to sit on one’s hands’. In het Nederlands zouden we kunnen zeggen: ‘het er niet bij laten zitten’, of, platter, ‘niet uit zijn neus vreten’, dan wel, beschaafder, ‘de zaken niet op hun beloop laten’, of ‘niet werkeloos toezien’.

Ik moest hier nog eens aan denken, toen ik vandaag op de radio iemand hoorde spreken van ‘ze gaan wild’. U snapt het al: ‘to go wild’.
Het is samen met die handen waar niemand op wil gaan zitten, een voorbeeld van de sluipende idiomatische invloed van het Engels op het Nederlands. Nu wil ik hier niet gaan mopperen over taalverval. En ik zal u er ook niet op attent maken, dat Alexander Pechtold de voorvechter wenst te zijn van goed onderwijs (wat toch ook het Nederlands zal betreffen). Waar het om mij gaat, is de vraag naar de herkomst van die onstuitbare anglificatie van het Nederlands. Nu verloopt die voor een belangrijk deel zeker onbewust. Bovendien herinner ik mij de tussen 1702 en 1720 gevoerde briefwisseling van Anthonie Heinsius, die ik gebruikte voor het schrijven van de hoofdstukken uit Plooierijen van geschik die zich afspelen rond 1700. Die waren op hun beurt, soms op uitermate koddige wijze, van de gallicismen vergeven. Ook die heeft het Nederlands overleefd, zoals ook de germanismen van later datum het Nederlands niet ten onder hebben laten gaan.

Hoe dan ook, de letterlijke vertalingen van Engels idioom lijken vooral de indruk te willen wekken van een soort (of ‘soortement’, zoals ik laatst een oudere dame hoorde zeggen) nonchalante vlotheid. Waar de gallicismen van Heinsius vooral Hoge Bechaving en Noblesse uitdrukten (ook misplaatst), weerspiegelen de huidige anglicismen vooral het verlangen naar technologisch gemak. Zoals kansen tegenwoordig zelden nog ‘gegrepen’ worden (wat inspanning vooronderstelt), maar, nonchalant, ‘gepakt’. Het is een invalshoek (of ‘insteek’) die welbeschouwd haaks staat op datgene wat nu van de samenleving wordt verwacht: besef van de zware hypotheek die op het verlangen naar gemak inmiddels rust.
Al met al is de boodschap van het niet op de handen zitten dubbelzinnig: de handen moeten uit de mouwen worden gestoken, maar (om u niet al te zeer te verontrusten met verwijzingen naar parelende zweetdruppels) op modern nonchalante wijze.

Alleen in die zin is het belegen Nederlandse idioom van een blonde politicus die ooit veel invloed (‘impact’) had op de vaderlandse politiek, al bijna een voorschot op de toekomst.