Londen, 11 september 2008


’s Ochtends stond ik op King’s Cross met zoveel andere metroreizigers te wachten op vertrek. Een man las het artikel over Osama bin Laden en de dag waarop de wereld niet ten onder ging. De deuren gleden maar niet dicht. Toch raakte op deze 11e september niemand ongedurig, zeven jaar nadien. Volgens de intercom konden wij niet verder door een probleem verderop langs de lijn: ons werd verzocht via andere weg ons reisdoel te bereiken.

In 1980 besloten twee vrienden pas de volgende trein naar Bologna te nemen zodat zij nog in Florence zouden kunnen ontbijten. Hadden zij niet naar hun knorrende maag geluisterd, dan waren ook zij slachtoffer geworden van de Gewapende Revolutionaire Cellen, de neofascisten die het station van Bologna op diezelfde dag met een tijdbom verwoesten waarbij ze 85 mensen van het leven beroofden.

Omdat zich zou kunnen herhalen wat islamisten op dezelfde lijn en in dezelfde richting met een metro hadden uitgevreten, hield plaatsvervangende angst mij stil in de greep, ook al was ik zelf nooit in Bologna of Florence geweest. Na een mooie dag in Kingston upon Thames met een oude vriendin uit de VS keerde ik in Londen op Waterloo Station terug. Door de gangen die mij naar het metrostation moesten brengen, schalde een omroepstem. Uit zijn flarden meende ik te mogen opmaken dat de Underground platlag, en dat wij opnieuw langs andere weg onze reis dienden voort te zetten. Het was wel duidelijk waarom de gangen waar ik mij voortbewoog zo leeg waren.
Bij brede trappen naar metrolijnen in de diepte morrelde eerst een man, dan een vrouw aan de poort, maar de poort wilde niet open. De poort zat op slot. Beneden had zich iets vreselijks voltrokken, of het werd op zijn best door de autoriteit voorzien. Zij wilden ons behoeden voor een grote calamiteit. Ik haastte mij door de gangen en bereikte de elektronische klapdeuren. Het station van Surbiton had ik eerder verlaten door dit soort poortjes, dus waarom zou datzelfde niet gelden voor Waterloo Station? Mensen passeerden gezwind. Ik meende dat ze allen bang waren, op de vlucht sloegen. Ik liet mijn treinkaartje door de machine opslokken, maar de poort ging niet open. Ik dacht het te snappen, draaide mijn kaartje om: dat werkte ook al niet. Ach, het was het kaartje van de heenreis: ik moest het retourkaartje nemen.
Ook dat leverde niets op. Ik wendde mij tot de mevrouw in uniform. Met haar brede, strakke Afrikaanse gezicht wees zij mij er zeer beslist op dat ik stond te hanteren met een treinkaartje. Ik begreep niet meteen wat ze bedoelde. Ze voegde daaraan toe dat ik een kaartje voor de underground nodig had. Ze bleef onverbiddelijk rustig en onaangedaan, zelfs toen ik vroeg of er nog wel treinen reden. Ja, natuurlijk reden er treinen.

Naderhand begreep ik dat ik in die lege gangen een mededeling had gehoord vanwege de brand bij de Kanaaltunnel eerder die dag in Frankrijk. De brand had ook in Engeland het treinverkeer ontwricht.

—-

NB: Dit is een fragment dat het uiteindelijk niet tot opname in
Nazi te Venlo wist te schoppen.