Maatschappelijke relevantie volgens Robert Walser


Robert Walser (1878-1952), inmiddels allang bijgezet in het pantheon der Duitse literatuur, was tijdens zijn leven niet bepaald een schrijver van grote of kleine maatschappelijke relevantie.
Dat kwam minstens doordat zijn werk zich aan boodschapperige eenduidigheid onttrok. En voor zover die in zijn teksten al op de loer ligt, weet Robert Walser haar tot in de toonzetting dusdanig te ironiseren, dat je als lezer niet eens met zekerheid kunt zeggen of hij dat nu werkelijk heeft gedaan.

Een enkele keer leek dat spaak te lopen, zoals in de hier volgende tekst, die hij in 1910 in een tijdschrift publiceerde, en die uiteindelijk (eventueel herkenbaar voor de huidige tijd) terechtkwam in de postume uitgave Bedenkliche Geschichten:

SPROOKJE (1)

Er was eens een keizer, op het oog een van de machtigste vorsten die er ooit zijn geweest, maar de keizer was ziek, en wel, waar we ook helemaal niet aan twijfelen, om dat het tijdvak waarin hij leefde en regeerde, ziek was. Niets was de mensen meer heilig; het volk kende geen idealen meer; de keizer echter voelde, zoals iemand die, hoe zullen we dat eens zeggen, laat of te laat geboren was, een diepgewortelde, onuitroeibare behoefte om heiligdommen op te richten. De verreikende macht die de keizer bezat of leek te bezitten, was aldus op verschrikkelijke, onbegrijpelijke wijze dood. Hij zelf, de heerser , ving er niets mee aan, kon er niets, mocht er niets mee aanvangen. Ook de macht was ziek. Geen wonder dat de bezitter van deze macht werd bevangen door smart om de ziel. Soms flikkerde in de ogen van de keizer woede op over het noodlot waartoe hij meer en meer verviel en dat hem dwong zich als een zakenman te gedragen, terwijl hij zo graag ridder of degenvechter was geweest. In de wereld was het namelijk al zo ver gekomen, dat de natie die het meeste winst maakte, voor nummer 1 werd aangezien, en de staatshoofden hoefden alleen nog maar de rol van bedrijfsleider te spelen. De arme majesteit ontbrak het daarvoor nagenoeg aan elk begrip. De keizer die er vaak van had gedroomd de held van zijn volk te worden, zag dat hij er alleen voor stond, en zijn gade, de edele keizerin, moest huilen, als ze eraan dacht hoe zeer hen al het mooie met geweld was ontnomen. Maar ook in het leven bestond niets moois meer. Het was als een wraak van de hemel . De meest schaamteloze woekeraars regeerden over de gebieden en de omliggende gebieden, en het land, hoe zeer de handel er ook gedijen mocht, leek een woestenij.

Van een tweede deel van dit sprookje is het nooit gekomen. Walser zag vermoedelijk geen uitweg uit de eenduidige, moralistische teneur die hij hier (met reeds voelbare tegenzin) aan zichzelf had opgelegd. Hij zag zich wellicht uitgroeien tot een man met een respectabele mening, een schrijver met een boodschap aan de mensheid, hoe welgemeend die ook zijn macht. Met zo’n vertoon van maatschappelijke relevantie kon hij, als was hij de keizer in zijn verhaal, niets aanvangen.
Nu had hij er natuurlijk voor kunnen kiezen om zijn sprookje niet te publiceren. Of anders, om dat ‘(1)’, die vermelding van een begin, een belofte zelfs van meer, te schrappen. Juist door die te laten staan, brengt hij de boodschapperigheid van het verhaal echter aan het wankelen. Welhaast gemeen laat hij de oneindige mogelijkheden van het vervolg open, waaronder die, dat de keizer redding voor zijn ongenoegen vindt in het gedijen van de handel. Of zoals dat tegenwoordig heet: het neoliberalisme.

*

Ja, voor wie het al vermoedde: ik tracht iets van een antwoord te formuleren op het vierdelige Standaard-kerstessay waarin Marc Reugebrink oproept tot een belangrijker maatschappelijke rol van de literatuur, of minstens tot meer eerbied voor die rol, in de verdrukking geraakt door, jawel, voornoemd neoliberalisme.

Misschien had Walser wel een vergelijkbaar probleem als ik met bijvoorbeeld de volgende passage uit het stuk van Reugebrink :

Een gezonde democratie kan alleen bestaan als er alternatieven mogelijk zijn voor wat in een zekere tijd wordt voorgesteld als ‘de wereld zoals ze nu eenmaal is’.

Noemen wij een maatschappelijke, politieke situatie ziek, dan zeggen wij uiteindelijk dat die anderen, de mensen die deel hebben aan de situatie, misschien dan wel met rede begiftigd zijn, maar wat ze zeggen, klopt simpelweg daarom al niet, omdat ze ziek zijn. Zij behoeven een medicijn om aan hun slachtofferschap te ontstijgen, terug te keren naar de redelijkheid, zoals de zelf benoemde arts die voor hen heeft bepaald. Op voet van gelijkheid met een behandelend arts over een diagnose discussiëren is echter altijd wat lastig.

Walser laat de ponteneur van de zieke keizer in het honderd lopen door zijn vertelling niet te voltooien, als nam hijzelf de menselijke werkelijkheid iets te serieus om haar tot een gezondheidsprobleem te reduceren. Met zijn weigering het verhaal af te maken, beklemtoont hij tegelijkertijd het recht van de kunstenaar om in zijn uppie de eigen maatschappelijke importantie te bepalen, al is dat maar als sprookje.

In die weerbarstigheid schuilt misschien veel relevantie, ook voor wie geen kunst bedrijft.