‘Lover Man’ en de geheime impuls


Onderstaande tekst is een herziene versie van een tekst, die ik ooit bij wijze van column uitsprak bij een jazzconcert van de Nijmeegse stichting JIN. Het was een van de vier inleidende columns die ik in het seizoen 2009/2010 voor die stichting heb geschreven. Andere sprekers in de reeks waren Han van der Vegt en Piet Gerbrandy.

——–

 

Ooit, ik noem geen namen, ik zeg ook niet waar, maar ooit maakte ik mee dat een Nederlandse jazzmuzikant een riedeltje blies dat makkelijk als een standard viel te herkennen. Laten we zeggen, het was ‘Lover Man.’ Al spoedig schoot hij in een improvisatie, die zelf al even gezwind omgebogen werd naar hoekige ironische figuren, om dan abrupt te eindigen. De muzikant sprak: ‘Dat waren dan weer de arbeidsvitaminen.’
Ik wil hem niet te na spreken, maar die houding lijkt me enigermate typerend voor een wel vaker op te merken mentaliteit onder Nederlandse jazzmuzikanten. Ze wekken graag de indruk, dat ze hun muziek in laatste instantie niet serieus mogen nemen. Dat al die gevoeligheden die uit hun instrumenten parelen, een spelletje moeten blijven, een aangenaam tijdverdrijf, voor zichzelf of het bankstel. En dus mag je zo’n stokoud thema ook zonder scrupules voor arbeidsvitaminen uitmaken.

Nu wil ik zeker niet beweren dat muzikanten meer respect voor de traditie moeten hebben. Ik ben helemaal voor het schrijven van nieuw werk, het onderzoek van nieuwe vormen, het vervormen van stoffige riedeltjes, de standaardbagage van de jazzmuzikant, van ‘Lover Man’ tot ‘It ain’t worth a thing.’ Maar dat die daarmee ook niets meer waard wordt en bespottelijk is, blijft onzin. Een hedendaagse zangeres als de Frans-Beninese Mina Agossi heeft er geen moeite mee om oudgedienden als ‘The Very Thought of You’ of ‘Ain’t Misbehavin’’ volstrekt naar haar eigen hand te zetten, zonder maar voor een seconde stoffig te worden of de zaak met ironische gebaren weg te slingeren, al tovert zij wel een glimlach op je gezicht.
Ze komt als niet-Amerikaanse in elk geval heel wat dichter in de buurt van de Amerikaanse geest die jazz nog een hele tijd eigen zal blijven. Waar die uit bestaat, valt moeilijk te zeggen, maar ze heeft geen moeite met de ernst van de zaak, die tegelijk lichtvoetig blijft. Misschien komt dat doordat het avontuur van de jazzmuzikant vanuit de Amerikaanse ervaring nog altijd te vergelijken valt met het exploreren van een onbekend continent. Je moet monter blijven, wil je overleven, wat een bloedserieuze zaak is. Elke keer dat je als muzikant in een solo terechtkomt, steek je voor het eerst de Mississippi over, moet je zien te overleven in de gloeiende woestijnen van New Mexico, balanceer je met paard en wagen langs ravijnen in de Rocky Mountains. Misschien geeft zo’n collectieve herinnering je zelfs beter inzicht in muzikale ritmiek, want ritmiek is een verkennen van ruimte. Dat geldt eens te meer als je voorouders werden gedwongen naar een ver continent te verkassen, er onder dwang ruimte moesten vinden.

Zo’n ervaring in je op kunnen roepen, is Nederlanders niet meteen gegeven. Zelfs onze mannen van de VOC drongen liever niet te diep in Indië door, en dat geldt ook voor onze slavenjagerss te Afrika; het vuile werk lieten zij aan de Afrikaanse elites over. Het maakt het wat moeilijk om een vergelijkbaar gevoel voor heroïek te ontwikkelen als onder Amerikanen niet ongewoon. Hoezeer de idee van heroïek bij de Amerikaanse geest hoort, valt af te meten aan de 19e eeuwse Amerikaanse filosoof Ralph Waldo Emerson die sterk heeft bijgedragen aan het Amerikaanse zelfbesef.

Zijn essay ‘Heroism’ laat begrijpen waar een Amerikaanse jazzmuzikant mee bezig is. Diep in zijn hart voelt hij zich vast verbonden met de speurtocht naar de ultieme goedheid, waar een held volgens Emerson voor pal moet staan, koste wat het kost. Daar moet je heel wat voor over hebben, je moet strijdvaardig durven zijn. ‘Heroism is an obedience to a secret impulse of an individual’s character.’ En daarbij hoort zeker: ‘Self-trust is the essence of Heroism. It is the state of the soul at war..’
Daar kunnen wij als Nederlanders maar moeilijk met ons hoofdje bij. Terecht natuurlijk: dat gedoe met wapens altijd. Dus kunnen we ook niet helemaal begrijpen waarom een Amerikaanse president bijvoorbeeld per se in Irak wil vechten, of waarom een nieuwe Amerikaanse president het opnieuw te moeilijk vindt om bij zijn aantreden te erkennen dat de VS aan de Tweede Wereldoorlog deelnamen vanwege een onverhoedse Japanse aanval en niet omdat het lot van Europa, de Europese joden of de stad Rotterdam ze aan het hart ging. En zo kunnen we ook niet werkelijk doorgronden waarom het niet uitmaakt dat we ‘Lover Man’ voor de duizendste keer spelen en toch proberen om er in bittere ernst weer iets helemaal nieuws van te maken. Immers, juist aan stokoude motiefjes kun je het best je zelfvertrouwen afmeten, die essentie van heroïek, die niets met arbeidsvitaminen van doen heeft: het geloof in de geheime impuls, zelfs in de Nederlandse binnenlanden.