Böhmer – Watermuziek


De in 1936 geboren dichter Paulus Böhmer schreef jarenlang in het verborgene . In het dagelijks leven was hij eerst commercieel medewerker bij een groot bedrijf, waarna hij overging op de professionele teelt van siergras. Van 1985 tot 2001 was hij te Frankfurt hoofd van het Hessische Literaturbüro.

Maar intussen was er dus de poëzie, en wel een die almaar overweldigender, epischer, grootser, kleurrijker werd – tegelijkertijd gestreng en ritmisch bleef.

De laatste jaren is hij volop aan het daglicht getreden. In 2002 verscheen de meer dan 330 pagina’s tellende cyclus Kaddish I-X, om in 2007 te worden gevolgd door even zo omvangrijke Kaddish, XI-XXI: op basis van het joodse gebed voor de doden wordt een elegie afgestoken voor de wereld. Gedichten worden dan ook aan allerlei mensen, dingen, gebeurtenissen opgedragen: de wereld moet omstandig worden gered in het gedicht.
Tussentijds verschenen in 2004 de 140 pagina’s van Fuchsleuchten. Het onderstaande, opgedragen aan de met de Deutsche Buchpreis 2006 bekroonde schrijfster Katharina Hacker, is de eerste afdeling van drie uit een langer gedicht waarvan de integrale vertaling verscheen in Parmentier, nummer 15/1. Voor de goede orde: de gecentreerde bladspiegel is conform het origineel.

Inmiddels verscheen van Böhmer in 2010 nog de poëtische trilogie Am Meer. An land. Bei mir. In datzelfde jaar was hij de tweede ontvanger van de hoog gedoteerde Hölty-Preis für Lyrik.

 

WATERMUZIEK

voor Katharina Hacker

1.

Boven het water
langbenige, vleugsnelle gestalten
met knikantennes, drijfmembranen,
daphnidoïde, spreidgraag, huisarm, orphiofiel,
in het oeverslijk Memelige loopjes, stremmingen,
aanduidingen, raadselachtige verwijzingen. Omhooggeslingerde
druppelcollectieven verbinden zich met aërosolen
van stikstof, zuurstof, argon tot overkappingen, terminals, waaruit
– een geheel en al psychisch, telescopisch ogenblik lang –
inzicht als broomzilver tevoorschijn schiet regelrecht
de wirwar van de holten achter het voorhoofd in.
Wat geweest is, zo koert het.
Wat geweest is. Wordt. Wat is.
In aanvalsgolven werpen zich op-
flitsende zwermen
over donkere Katukina-rompen. Zich zonder overgang
van de ene adem uitstrekkend in de andere:
wat was, wat is, wat was. Alles
raakt enkel zichzelf.
Wat geweest is. Het is wat geweest is.
Op jouw gezicht de zekerheid
dat enkel via de omweg van de waan
iets waar kan lijken,
en dat je niets kunt zoeken, maar alleen vinden,
dat alles er al, basta, al is.
Vanuit de biezen
een kroeskarper, een schaduw, een beschaming,
tussen rietkolven, afluisteropening, algenwoud,
met libellen doorschoten, tussen vintagegewriemel,
chiffongruis, Manolo-Blahnik-stiletto’s
in het oeverriet een man met haast, in zijn handen
de kop van een andere man, daaromheen No-Name-
No-Name-No-Name-accessoires, waarvan de contouren
oplossen in een verglijdende alomtegenwoordigheid,
een ontvoeren van verschillen, ontvoeren
van bewegingen, verschuiven van gebaren
die niet het lichaam, die de ziel dicteert.
“Don’t call back,” zeg jij. Ik zet aan,
een stralende oranjerode geweienzwam,
voor de landing, week. Ben er.

Tegelijkertijd staat aan zee
een man voor het eerst aan zee, zakt door de knieën en huilt.
In een staalplaten hut ligt, voor
een aan flarden gereten slaapbankgarnituur, over de kale vloer,
het vet van leeuwen en honden.
Diana lacht als een varken: pas op, ik ben
een in jubelen getransformeerde ontzetting.
Een helder geilbruin. Een snelle grijze schaduw.
Una altra volta: het hart,
gevuld met een vergif
waartegen geen antistof bestaat. De jonge vrouw
in lichte japon komt de slang al nader,
nauwelijks zichtbaar, tussen de twijgen.
Vogels zwerven uit naar de maan. Ze houden het niet meer uit.
Tussen de wind en de menselijke zwaarte
fladderen wij, ontwaakt, ervandoor, erheen. Zeg, schoonheid,
wat wil jij, in je lichte japon, op de maan?

Over alle wateren
(die wij als leugens doorzien, maar als vormen
der liefde herkennen) klinken de songs
naar mensenvlees, poriën, hoekig verbogen benen,
naar eindstations, dieptescherpte, treurige violentie.
Wat geweest is, wat geweest is is het.
In obscene terugkoppelingslussen verscheuren
als vampiers, verkleed als vampiers
libellen hun slachtoffers,
een toccata libellula, een perpetuum aqua-
drimaculata, nada, wat geweest is, nada.
Het maakt tot verleider, verleid te worden,
zoals verleiden verleidelijk maakt. Het maakt.

Bedreiging. Redding. Verpopping.
Flitslichten. Momentopnames. Afleidingsmanoeuvre
van de wateren. Hylodesachtig transformeren kwabalen
met hun ontelbare tweelingbroers en –zussen
zich tot kikkers met gabbertaille en geschenkels, met de weer-
schijn van onnozele strategieën; de donkere
voorkant wilde graag op onmacht, de witte
achterkant op almacht uit.
Voor wie worden de golven plotsklaps grijs?
Worden de haren wit? De lippen opgetrokken,
de wenkbrauwen gefronst, de schaduw grijs en snel?
Alle macht gaat uit van het vlees. Van wat geweest is. Item.
In okselholtes huizen
dezelfde mikrobes als in het water tussen
amusement en terreur. Embryo’s
leren vroeg te slikken. Reeds
is hun adem geteld, hun vlees vervalt,
schrammen inkten zich in huid als Zen al uit.
De bikini trekt een Eva aan de haren, maar terwijl zij nog,
verpoppend onder water,
de gladheid van haar geslacht betast, stelt zij zich voor
hoe haar gele ruggengraat oplost in witte bloemknoppen
en hoe ze eindigt,
wel honderd aardezonnen zwaar.
Alle macht gaat uit van het vlees, misschien
een zoemen, als werden parels en mossels geteld,
als vonden observaties, opsporingen, vervolgingen plaats.
In gevaar brengen. Redden. Verpoppen.
In sumak, bils, mandragora.
In het intercellulaire. In voedingszouten, dioxide.
Ver weg vereindigt een hond
in geestelijke nacht als van een Nietzsche.
Op de bodem van het meer hurken doden, drinken hem langzaam leeg.
Moedermonden, het gemeenschappelijk bezit van de mensheid,
trekken er als kwalpoliepen vandoor.
Zwaartekrachtcentra ontstaan en vergaan.
Wat geweest is. Wat geweest is. Item.

Eens schreven alle wateren
in spiegelschrift zonder
ook maar iets te willen mededelen, hadden
de polyritmiek der zwermen, de camouflage der ontglipten,
het flikflak der fellationistes,
de alexandrijnen der knutjes,
zonder de last van het zelfzijn
uitsluitend hun eigen beeld lief.
Op hun bodem de klauwen van aap en rund,
autokadavers, atlasbeenderen uit de nek van de mens,
grafkruizen, bustes, werktuigen,
almachts- en onmachtssymbolen
uit de wereld der betekenissen.
Skeletten van kiezelzuren, bijgeloof, kalk
vormden torenhoge structuren met bi-
zarre klauwen en snavels, glimmende, met wratten overdekte
lange bonenstaken met ritmisch tastende tentakels, déjà-vu-
uitpuilingen, fantasmata
van een immense sculpturaal-genitale nonsens,
concaaf- en convexheden met ontelbare gaten
die in de rechter- of linkerhersenhelften binnenvoerden,
zo wonderbaarlijk als het katholicisme.
(En zo boort zich ook hier
een messcherpe angel in het vlees van het slachtoffer,
verlangt ook hier de paranoïcus
dat ze naar hem luisteren, nu hij blaft als een hond.)
Venus vergaat. Uit-
gestorven Narcissus. Op de tast
zoekt Medusa naar haar ogen.
Mosselenkolonies verbergen
bommen onder donkere overjassen.
Corpuscula-stilte. Enterprise-nacht.
En het denken neemt geen einde en neemt
alle touwtjes, touwtjes weer in handen.