Erasmus spreekt tot de regering


Vandaag, 12 juli, is het de (475e) sterfdag van Desiderius Erasmus, een van de vaders van de Nederlandse cultuur, dat ene ding waar tegenwoordig zoveel mensen van lijken te houden.

Sommigen van dezen zijn daar wat pervers in: ze tuchtigen de cultuur, halen de knoet tevoorschijn, brandmerken haar, sturen haar de woestijn in. Je zou zelfs zeggen, dat deze precieze minnaars van de Nederlandse cultuur, liefhebbers ook van het Nederlands erfgoed, Erasmus wel degelijk gelezen hebben, maar jammer genoeg, iets te serieus hebben genomen. Ze hebben misschien net iets te weinig training gehad in literaire ironie. Misschien heeft onze minister-president, heeft zijn kleine zetbaas Zijlstra, heeft waakhond Wilders, heeft pastoor Verhagen de volgende passage uit De lof der zotheid iets te serieus genomen:

Lees er slechts de geschiedenis eens op na en ge zult – daar twijfel ik niet aan – tot de ontdekking komen, dat staten nimmer slechter worden geregeerd dan wanneer de regering in handen was van vorsten die liefhebberden in wijsbegeerte of belangstelling hadden voor literatuur.

Of zou mischien onze minister-president de ironie van deze passage, even verderop, niet hebben ingezien?

Maar om terug te keren tot mijn bewering, dat de staat met weinig wijsheid geregeerd wordt: welke andere macht dan vleierij heeft de verharde, knoestige en domme mensheid vereinigd tot een geordende maatschappij? Op vleierij slaat de legende van het speeltuig van Amphion en van Orpheus. Heeft soms een filosofisch betoog het Romeinse plebs verzoend met de bestaande orde, toen het revolutionaire neigingen had? Neen natuurlijk. Maar Menenius Agrippa vertelde een flauw en kinderachtig verhaaltje over de samenwerking van de maag en de overige delen van het lichaam. Ook de fabel van de wolf en de egel, die Themistocles in de Atheense volksvergadering vertelde, was van hetzelfde gehalte. Geen redevoering van een wijsgeer zou zo’n diepe indruk gemaakt hebben als Sertorius’ leugen, dat hij een waarzeggend hert bezat, of als Lycurgus’ bedenksel van twee honden uit één nest, die hij op verschillende wijze had grootgebracht, of als Sertorius’ zotte inval om de macht van overleg te bewijzen door twee mannen een paardestaart te laten kaalplukken; en nu zwijg ik nog over Minos en Numa, die beiden de dwaze menigte in toom hielden door allerlei zgn. godsdientsplicht te bedenken. Door dergelijke onzin laat zich dat grote sterke monster dat “publiek” heet, om de tuin leiden.

    (Lof der Zotheid, editie 1971, vertaling Dirkzwager/Nielson)

Brave volgelingen van de Nederlandse cultuur wanen zich sommigen, maar ja, ze kunnen niet lezen… Of is ze dat afgeleerd door onze kranten, onze boekenbijlages, onze televisieprogramma’s?
Ik opper maar wat. Mij valt wel de bron op, die mij vandaag op die 475e sterfdag attent maakte.
Nee, dat was niet enige vertegenwoordiger van Erasmus’ geboortestad, diezelfde stad waar die ene kale man resideerde, waarmee het nieuwe Nederland, zeg maar Spruitjesgeur 2.0, begon. Nee, geen Rotterdammer dus; geen Rotterdamse krant ook.

Het was de Duitse cultuurzender WDR3, die een aparte thema-uitzending aan onze Erasmus wijdde.
Ik hoop maar dat iemand mij attent kan maken op net zo’n uitzending op de Nederlandse radio… Ik heb er een hard hoofd in.