Nazi te Venlo: gevelde darling


Bij elk schrijven van een boek blijven er fragmenten achter die om wat voor reden dan ook niet pasten, plaats moesten maken; de darlings die al dan niet onder bitter wenen moesten worden omgelegd.

Hieronder een dergelijk fragment uit het werk aan Nazi te Venlo. Het is op zichzelf belangrijk genoeg om toch te publiceren, maar vat tegelijkertijd enige motieven uit het boek samen.

———-

 

De opdracht tot genot

 

Telkens als ik woorden aan het nationaalsocialisme vuilmaak, weet ik meteen weer dat ook ik ernaast zit. Ik zie al die treinen voorbijkomen, al die verhalen en analyses, en telkens herontdek ik de onbevattelijkheid. Dan houd ik het er uiteindelijk toch maar op dat het nationaalsocialisme geen eenduidige moloch was, maar uit een enorme vloed van mensen bestond die zich tegoed mochten doen, zolang ze zich verder maar gedeisd hielden. Als ik Hitlers Volksstaat van Götz Aly en Behemoth van Franz Neumann combineer, dan krijg je de indruk alsof zelden mensen in zo korte tijd zo nadrukkelijk hebben moeten genieten, en zij hebben vooral genoten omdat zij zich over mochten geven aan alle schandelijke excessen die maar nodig waren om vooruit te komen, en soms waren het ook maar heel gewone kleine dingen. Maar nooit eerder waren de mensen zo graag zo stout, en nooit wisten zij zo goed dat zij dat waren, dat zij de regels schonden. Met plezier gaven zij zich over aan het schenden, of het nu ging om het vermoorden van duizenden en duizenden, of om het doelgericht leegroven van staatskassen, economieën, bevolkingsgroepen, omdat anders de nationaalsocialistische verzorgingsstaat die teveel wapentuig en te weinig luxegoederen produceerde ineen zou stuiken: het maakte de mensen stout.
Er valt wat te zeggen voor de opvatting van Abel J. Herzberg dat de jodenvervolging vooral ook een poging inhield om zich teweer te stellen tegen wet en regel, door zich nadrukkelijk te keren tegen het volk dat wet en regel tot basis van zijn bestaan heeft gemaakt. Anderzijds klopt ook dat weer niet helemaal. Zonder orde en regelmaat in het afhandelen van hun misdaden hadden de daders, zo leert ons Harald Welzer (Täter; Wie aus ganz normalen Menschen Massenmörder werden), niet eens het zelfbeeld kunnen handhaven fatsoenlijk te zijn gebleven.
Tegelijkertijd blijft ook de vraag naar de mogelijkheid van die geestelijke ontkoppeling verbijsteren. Zo mag ik mij opnieuw afvragen of ik er niet andermaal naast zit. Hoe voltrekt zich dit aan een individu dat lange tijd een braaf en oplettend burger is geweest? Wat gebeurt er met die persoon voordat hij zich uitlevert aan het genot van zijn boosaardigheid? En moet dat per se iemand zijn die zelf schoten lost? Welzer heeft het over ‘Exekutionstourismus’: zodra eenmaal was doorgesijpeld dat de Einsatzkommandos (na zelf geharder te zijn geraakt dan ze zich maar hadden kunnen voorstellen) in oostelijke streken op geordende wijze talrijke joden afknalden, trok dat Duitse kijklustigen. Zelfs verzocht een groep Berlijnse musici en voordrachtskunstenaars het bataillon of ze niet ook een keer mochten schieten. Al die publieke belangstelling droeg voor de daders bij aan het gevoel dat zij met iets normaals bezig waren. Het genoegen van het publiek als onderbouwing van het gedeelde geloof in de Volksgemeinschaft, verleende innerlijke rust.
Het centrale argument van Welzer is dat dit zoals ook het geordende verloop van het een en ander ertoe bij moesten dragen dat het genot niet de overhand nam: men werkte immers maar een politiek plan af. Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat hiermee ook een verplichting tot ongebreideld genot werd geformaliseerd, waarbij het nationaalsocialisme niet alleen voor culturele toeschouwers een moment vormde in de bevrijding van het onbewuste. Had Europa niet juist geleerd dat zich daar tal van duistere tendensen ophielden, die aan het daglicht moesten worden gebracht, opdat men kon genezen?