In Wat een romantische droom wijdde ik een essay aan de mij zeer dierbare Koreaanse dichter Jong Ji-Yong.
Hij werd geboren in 1902,en overleed vermoedelijk in 1950,bij een van de verwoestende Amerikaanse bombardementen op Pyongyang,waar hij in gevangenschap verkeerde. De precieze omstandigheden van zijn dood bleven echter lang onduidelijk. Tijdenlang werd hij er in het Zuiden van verdacht te zijn overgelopen. Pas in 1988 kon een Zuid-Koreaanse commissie zijn naam van alle blaam zuiveren. Inmiddels geldt hij onomstreden als een van de belangrijkste Koreaanse dichters uit de eerste helft van de twintigste eeuw.

Mijn essay is een wandeling door Yong Ji-Yongs belangrijke bundel Het meer van het witte hert.
Een van de haltes op die tocht is het hier volgende gedicht:
——
EEN VLINDER
Onvoltooid werk vergt spoed Ik leg het verse essenhout in de haard en steek het aan Ik blaas de stolp schoon,zet hem vast,geef een ruk aan de kous,de vlam flakkert weer op Ik verwijder vast een blaadje,hang hem weer op,nu valt over de kalenderdatum van morgen het rode licht al Pal boven de bergrug die met zijn windingen afwijkt van het rechte pad als de naad over de rug van een eekhoorn waar ik nu voetje voor voetje overheen trekken zal,vlijt zich de herfsthemel Nacht van de berghut,bevrijd van gevallen bladeren,waar de kleine wijzer eigenaardig tiktakt Terwijl de wolken zich opstapelen tot bij het venster druppelt drupt en drupt het water van de hanenbalken Een vlinder groot als een handpalm zet zich schrap gluurt naar binnen Zielig! Slaat hij met gebalde vuisten op het raam dat niet opengaat dan schudden de vier wanden die het niet kunnen opbrengen om te vliegen met zijn vleugels mee Met het uitademen van flarden vage gedachten doorweekt van de regen die op 5000 voet zomaar wat rondzwerven loopt deze klunzig bevestigde inkttekening over van jaloezie op het vreemde jaargetij dat door laaiend vuur wordt omsloten Het zou vreselijk zijn,als hij met zijn gescheurde vleugels de zwarte ogen als een aap zou openen De wolken slaan weer als rotsen te pletter op het venster de sterren laten zich naar beneden trekken Boven welk dorp aan de voet van een berg twinkelen zij Over de bergtop waar berken parelwit lummelen ligt de nacht als melkwitte avondschemering
