|
Zeehond in wormgat
Nevels orgel
Verpoosd in schaduw
STOA
Het meisje in blauwe zijde
Nee, maar het gebeurt
Deze rouwmoedige schoonheid
Toon Teeken - More is more
Plooierijen van geschik
Wat een romantische droom
De man die wist wat hij wilde
De genereuze sul
Een bescheiden fluitsolo
Het reisgeld
|
Marc Bolan was een raar ventje. Ik zag het meteen. Ik was 11 jaar en
schrok toen ik in de etalage van een platenzaak de hoes van de T.
Rex-elpee The Slider zag. Een verwaten meneer stond afgebeeld met
wilde krullenbos onder grote zwarte hoed, in zwart-wit, met de
titel in strenge rode letters. Ik had geen idee wat dat mocht betekenen.
Ik hield het voorlopig op een verschijnsel uit de wereld van de
wilde volwassenen, waar ik nog geen raad mee wist.
Rond die tijd leerde ik via de Duitse televisie mijn eerste T. Rexhits
kennen, daarbij nog geholpen door de Engelse programma’s
van Radio Luxemburg. Het was een eenzaam genoegen: in Engeland
sloeg de band verpletterend aan, maar Nederland kon met hits
als ‘Metal Guru’ of het latere ‘20th Century Boy’ weinig aanvangen.
Misschien lag het aan de glitter op het gezicht, de boa om de nek,
de satijnen kleding, de kokette falset, het mal opgepoetste cockney
accent? Nederland giechelde nog om Albert Mol, maar die verwijfde
zelfbenoemde god van de popmuziek uit Engeland was niet eens
een homo. Sowieso vond de Nederlandse popjournalistiek nog feller
dan de Engelse pers dat Bolan zijn eerste verschijningsvorm, het
duo Tyrannosaurus Rex, de nek had omgedraaid en met zijn overgang
naar een elektrische viermansband artistieke uitverkoop
hield, plotsklaps nonsensicale teksten schreef waarmee je de wereld
niet kon veranderen. Daarbij sprak niet in Mark Felds voordeel
dat het pseudoniem ‘Bolan’ ontleend leek aan de naam van zijn
grote voorbeeld, Bob Dylan. Ik had er geen problemen mee: van de
voorgeschiedenis had ik geen benul, mijn Engels stelde niet veel
voor, over wereldverbetering dacht ik niet na, en de dubbelzinnige
uitstraling obsedeerde mij.
De aanschaf van een elpee was een rib uit het lijf. Het was een gelukje
om te stuiten op een T. Rex-verzamelaar. Daar stond echter niet één hit op: de platenmaatschappij van het oude werk slingerde
sluw een compilatie van Tyrannosaurus Rex op de markt als een
van T. Rex. Onbedoeld belandde ik bij Bolan als hippie, die zelf
weer was voortgekomen uit de piepjonge mod in tweedehands kleding.
Daar had ik nog geen idee van, en ook niet dat hij tussentijds
deel had uitgemaakt van een absoluut destructieve protopunkband,
John’s Children. Een concert van Ravi Shankar had dat allemaal
weer veranderd. Opeens hoefde Bolan geen zalen meer kort
en klein te slaan, het kon ook met inkeer. Het resulteerde in
Tyrannosaurus Rex: aandoenlijke melodieën van sprookjesachtige
maar altijd rauwe liedjes, gezongen door een kwikzilveren, wendbare
stem, naar imago primair begeleid door bongo’s en een
akoestische gitaar.
Je hoefde echter niet bijster goed op te letten om veel meer te
horen dan de instrumenten die het duo officieel bespeelde. Overdubs
en kunstmatigheid waren dankzij producer Tony Visconti al
vroeger aan de orde van de dag dan men wilde weten: Bolan was
niet voor honderd procent voorvechter van het macrobiotische en
natuurlijke. Het pièce de resistance van mijn verzamelaar liet dat
nog eens duidelijk merken: het snerpende staaltje gitaarrock, ‘Elemental
Child’, kwam heel wat meer overeen met de band die ik
opdeed van radio en tv.
terug naar boven
Wie in de war wil raken, griezelen wil, kwaad wil worden of zich
door nachtmerries laten bezoeken, houdt zich het beste onledig met
websites over de talrijke samenzweringen achter 11 september 2001.
Je kunt er het ene moment zelf vaststellen dat op de passagierslijsten
van de vier vliegtuigen niet één van de alom bekende hoofdverdachten
lijkt voor te komen, om dan prompt van een andere website te
vernemen dat die heren – die volgens die eerste website dus niets met
de gebeurtenissen van doen hadden – rekruten van de cia waren,
maar voor een conventionele kaping. Een subtiel verschil, maar ze
zaten er dus toch in.
Heb je eerst met rode oortjes zitten lezen hoe in het Pentagon sowieso
niet een vliegtuig, maar een kruisraket naar binnen is geraasd,
blijken volgens een andere website tientallen ooggetuigen te spreken
van een verkeersvliegtuig. Omdat een mens nooit gezien kan hebben
wat hij gezien zegt te hebben, moet het wel een verkeersvliegtuig met
explosieven onder de vleugels betreffen. Anderen beweren dan dat de
inslag in het Pentagon getuigde van een uiterst beperkt verwoestend
vermogen. Bommen kunnen het ook weer niet geweest zijn.
Heb je eenmaal begrepen dat uit het Pentagon wel degelijk stoffelijke
overschotten van passagiers zijn geborgen, werkt een ander
weer nauwgezet uit dat de vier vliegtuigen inderdaad wel gekaapt
werden, maar zich dan eerst naar een Amerikaans militair vliegveld
lieten dirigeren, waar alle passagiers klaarblijkelijk zonder al te veel
protest overstapten op het vliegtuig dat neerstortte in Pennsylvania.
Immers: de Amerikaanse luchtmacht schoot het daar uit de lucht.
De drie resterende vliegtuigen vervoerden geen passagiers, hadden
ook helemaal geen bemanning aan boord. Zij werden op afstand bestuurd,
door enige Amerikaanse geheime dienst.
Een volgende onderzoeker weet een overschot aan fijnmazige
dwarsverbindingen te leggen tussen Mohammed Atta en Raytheon,
een bedrijf in geavanceerde militaire apparatuur. Opmerkelijk genoeg
blijkt bij navlooien van de passagierslijsten een niet te onbelangrijk
werknemer van hetzelfde bedrijf aan boord te zijn geweest.
Nu we het toch over de passagierslijsten hebben: her en der weerklinkt,
zoals we al zagen, de mare dat daarop geen van de vrijgegeven
kapersnamen voorkomt. De woekering van deze vertelling is zo nadrukkelijk
en alomvattend dat het even duurt voordat je ontdekt hoe
cnn, de primaire bron van die lijsten, ze niet publiceerde als passagierslijsten,
maar expliciet als lijsten van slachtoffers, en zoals te
doen gebruikelijk de kapers niet tot de slachtoffers rekende.
Het maakt echter niet uit wat de heren wel of niet ondernamen.
Over de gedragingen van Mohammed Atta valt te lezen: ‘Far from
trying to blend in, Atta operated quite openly and even seems to have
deliberately tried to draw attention to himself as a potential terrorist.
He acted as though he wanted to build a ‘legend’ as a terrorist, and as
though he had guaranteed protection from high inside the U.S. government.
Evidence that this was in fact the case will be discussed later.’
Dit verhaal dient om te verklaren waarom de heren (die volgens
anderen dus niet in de vliegtuigen zaten) zich bijwijlen wel erg antifundamentalistisch
gedroegen: ze gokten, ze bezochten stripperstenten.
Anderen voeren precies dezelfde feiten aan ter ondersteuning
van de stelling dat de heren geen terroristen kunnen zijn geweest,
slechts zijn ingezet als een stelletje patsies, om het woord van
de heilige koe der complottheorieën, Lee Harvey Oswald, weer eens
bij de hoorns te pakken.
Uit Oliver Stones lofzang op de onschuld van de stroman, de patsy, het
cinematografisch meesterwerk jfk, kennen we de natuurkundige exposés
die moeten aantonen dat John F. Kennedy niet door één maar
door een groter aantal kogels, oftewel een groter aantal schutters,
moet zijn neergeschoten. Ook ten aanzien van 11 september 2001 laten
de natuurkundigen zich niet onbetuigd. Sommige wetenschappers
redeneren zich in bochten, te complex voor afstandsbesturing,
om te bewijzen dat vanuit vliegtuigen niet kan worden getelefoneerd.
Al de gijzelaars die vanuit de gekaapte vliegtuigen naar hun geliefden
lijken te hebben gebeld, hebben in enige andere ruimte willens en wetens
hun geliefden misleid en moeten momenteel, op zijn best, onder
een andere identiteit verder leven. Hetgeen weer veronderstelt dat de
bellers vanuit de vliegtuigen naar een studio zijn getransporteerd,
waar op de achtergrond de kaping werd geënsceneerd. Zo leiden we
uit de theorie dat vanuit vliegtuigen niet gebeld kan worden, noodzakelijkerwijs
de betrokkenheid van Hollywood af.
Het kan altijd maller. Op 11 september zijn niet eens vliegtuigen het
wtc ingevlogen. Nee, ik spreek niet van het Pentagon, ik spreek wel
degelijk van het wtc: wat wij in onze gemediatiseerde onschuld voor
vliegtuigen aanzagen, betrof een stelletje hologrammen, waarbij de
explosies die leidden tot het ineenzijgen van de torens van binnenuit
tot stand waren gebracht. De stellingname vindt zijn basis in het opmerkelijke
gegeven dat vooraf aan de inslag van de vleugels van het
eerste vliegtuig overduidelijk een rookpluim valt waar te nemen. Dat
kan niks met de inslag van de vleugels van doen hebben. De theoreticus
van dienst, die zijn brede kennis van Amerikaanse geheime
militaire operaties etaleert, ziet zeker niet over het hoofd dat een
vliegtuig dat bestaat uit louter vleugels tot op heden zelden werd
waargenomen. Het doorsnee verkeersvliegtuig beschikt ook over een
cockpit, geplaatst vóór de vleugels. Je zou zeggen: die slaat eerder in.
Het gaat bij de makers van deze theorieën niet alleen om losgeslagen
individuen. Zelfs een respectabele instelling als de Duitse televisiezender
wdr presteert het om, zoals Der Spiegel weet te achterhalen,
de zelf opgenomen ooggetuigenverslagen van de gebeurtenissen
in Pennsylvania voor een televisiedocumentaire dusdanig te verknippen
dat plots geen mens meer getuigt van de wel degelijk in de
rondte geslingerde vliegtuigonderdelen. Verzwegen wordt volgens
Der Spiegel bovendien dat het in alle openbaarheid opruimen van het
puin niet minder dan dertien dagen lang heeft geduurd. Bovendien
zijn de restanten, groot en klein, tot op de huidige dag bij de verzekeringsmaatschappij
van United Airlines ter inspectie voorhanden.
Het kan nog erger: nog altijd geloven mensen dat er in het wtc
4000 Israeli’s werkten, die van tevoren werden gewaarschuwd en aldus
aan de dood ontkwamen. Ook dit resulteert uit het vervormd
weergeven van feiten. De oorsprong van het verhaal ligt in het bericht
dat de Israëlische autoriteiten zich die dag ernstig zorgen maakten
om de 4000 Israëlische burgers, woonachtig in New York City. Deze
4000 waren echter niet met zijn allen in het wtc tewerkgesteld. De
idee dat een dergelijk groot aantal Israëli’s zich ophoudt in het knooppunt
der geldstromen, vertoont op zijn zachtst gezegd enige gelijkenis
met de aloude waan omtrent de onlosmakelijke band tussen jodendom
en kapitaal, stamt uit de Arabische pers en is zeker ook te bezichtigen
op Amerikaanse websites van antisemitisch allooi.
terug naar boven
Inmiddels zijn er ook minder vogels om in je netten te krijgen. De
menselijke jaloezie heeft zich in zijn bewegingsdrift gewroken. Ik
noem maar wat: de kievit, de geelgors, de veldleeuwerik genieten
door de gerationaliseerde Europese landbouw steeds minder van de
levensvreugde die de producten ons wel opleveren. Het probleem is
wereldwijd. De albatros, Baudelaire’s symbool van de dichter als de
grote ander, weet zich niet langer bedreigd door ‘les hommes d’equipage’
die hun verveling willen bestrijden, maar door de heel wat
daadkrachtiger langelijnvisserij, die zich niet alleen mengt in hun
buit, maar en passant ook de albatros meeneemt. Ook kraanvogels,
papegaaien, wat al niet ginds in den vreemde, ze gaan sombere tijden
tegemoet, als moesten ze worden gestraft voor de verhalen die wij
met zoveel bombarie om hun gesponnen hebben.
In Australië is de gele rietvink inmiddels bedreigd. Cynisme kent
zo min als vogels grenzen. Ik verneem van de zeldzaamheid via de
vrolijke website van een Vlaamse meneer die thuis gele rietvinken
houdt. Trots deelt hij mee: ‘Wat de vogels zelf betreft kan ik er nog
aan toe voegen dat het zeer actieve vogels zijn die wel een volière nodig
hebben om zich goed te voelen. Ze zitten nooit stil, het zijn echte
acrobaten die altijd druk doende zijn om allerlei soorten takjes en
twijgjes af te bijten. (...) Ze zijn absoluut vredelievend tegenover andere
vogelsoorten en een lust voor het oog. Hun gezang begint zeer
stil, omzeggens onhoorbaar. Je kan het eigenlijk beter zien dan horen
maar na een poosje begint het luider te worden zodat het uiteindelijk
eindigt in een heel luid en geweldig gezang. Met deze vogels
zijn ook op tentoonstelling prima resultaten te behalen.’ En op de
achtergrond speelt dan vermoedelijk Orrs radio, en de eigenaar trekt
zijn schoonste nostalgische gezicht.
De nostalgie zal haar domein zeker nog uitbreiden. We mogen beginnen
aan een elegische houding tegenover de ons zo zeer definiërende
technische vindingen, meer nog dan ten aanzien van de natuur die we
vermoedelijk hebben verspeeld. Er is misschien een sprankje hoop
voor de soorten die resteren, vogels, of zelfs voor talen die dreigen te
bezwijken onder het kwinkeleren van grote taalgemeenschappen.
Een tijd dient zich aan waarin wij, als wij verstandig zijn of het eindelijk
worden, ons hoofd nederig zullen moeten buigen. Onze alomvattende
beweeglijkheid loopt ten einde, gaat al langzaam in stilte mank.
Namelijk: de mondiale olievoorraden bereiken binnen niet al te
lange tijd de helft van de ooit aanwezige capaciteit. De helft die
resteert is daarbij in toenemende mate van mindere kwaliteit en
moeilijker te winnen. We weten: hoe schaarser een product, hoe
duurder het wordt, maar: je krijgt er op den duur niet eens hetzelfde
voor terug. Daarbij komt dat de bestaande olievoorraad sterker
wordt aangesproken dan ooit het geval geweest is. Met steeds meer
vliegtuigen beweegt de welvaart zich in sprongen door de wereld. Ze
doet dichtbevolkte landen als China en India aan die (volstrekt legitiem)
hetzelfde recht opeisen als wij om de aarde leeg te zuigen.
Nu heeft olie de prettige eigenschap van hoge energiedichtheid.
De waarde van het gebruik van die dichtheid is echter wel afhankelijk
van de energie die je erin moet steken om haar überhaupt te winnen
en als eindproduct af te leveren. Die kosten nemen exponentieel toe
naarmate het einde van de olie in zicht komt. Het gevolg is dat olie
onvermijdelijk duurder wordt omdat ze relatief minder nieuwe
energie levert. We zullen er minder gebruik van moeten maken om
het punt van ineenstorten van onze economie uit te stellen, tijd te
winnen voor vervangende bronnen. Vrijelijk bewegen wordt een
luxueuze onderneming.
In de Verenigde Staten bestaat in toenemende mate aandacht
voor dit probleem. De bibliotheek aan publicaties over het ‘peak oil’
of ‘oliepiek’ gedoopte verschijnsel groeit met de dag, zoals ook het
aantal websites die aan dit vooruitzicht worden gewijd. Zelfs een
mainstream medium als nbc kan er niet omheen aandacht te besteden
aan het probleem. Het viel te verwachten: de Verenigde Staten,
thuishaven van Duncan en Dolphy, dankt zijn wereldomspannende
dominantie ten eerste aan de olievoorraden die het land sinds het
einde van de negentiende eeuw zijn wereldomspannende reikwijdte
van beweging vergunden. Lang kon de hyperpret van een vrolijke
welvaart verhullen dat de Amerikaanse olievoorraden reeds in 1971
hun piek bereikten. Het was daarom dat de Verenigde Staten hun
aandacht plotsklaps nadrukkelijk op het Midden-Oosten richtten.
Evenmin is toevallig dat het Verenigd Koninkrijk (waar ook bbc’s
Newsnight een discussie aan dit thema wijdde) zich inzake Irak zo nadrukkelijk
aan de zijde van de vs schaarde: de eigen Britse olievelden
in de Noordzee piekten in 2000. Datzelfde dreigt volgens analisten
uit de oliebranche op korte termijn voor allerlei landen, met name
ook voor olieleverancier numero één, Saudi Arabië. De noodzaak
om zo snel mogelijk zo veel mogelijk macht te verwerven over de uitstaande
reserves wordt voor menig politicus van steeds overweldigender
betekenis.
terug naar boven
Zoals bezoekers van Koreaanse speelfilms weten, kan het Koreaanse
landschap van een overweldigende melancholieke schoonheid zijn.
Weelderig beboste bergen in groten getale wekken snel de indruk dat
de bewoners van de Koreaanse boomtowns met hun lange rijen
appartementsgebouwen van zo’n 20 verdiepingen hoog nog altijd
leven in diepe harmonie met de natuur. Koreanen mogen dat ook
graag in andere culturele producten uitdragen. Maar wie eens serieus
op reis gaat door het land, stuit al vlot op tekenen van tegenspraak.
Ik herinner mij landschappen in het diepe zuiden waar bergen
pijnlijk kaal afstaken tegen langgerekte fabriekscomplexen voor
de petrochemische industrie. Ik herinner mij een ritje per spoor dat
de weelderig aaneengeregen steile bergmassieven van Sobaeksan
verbond met die van Ch’iaksan. Onderweg trok de trein echter over
tientallen kilometers voorbij aan bergen die het bouwen van appartementen
mogelijk maken: bergen die gebruikt worden voor de
cementindustrie.
De meeste tragiek ademde daar de vallei rond het stadje Jech’on.
Deze onooglijke, afgeleefde nederzetting, ingeklemd tussen de afgekloven
berglandschappen die de stad überhaupt pas haar functie
verleenden, voerde, midden tussen zijn fabrieksgebouwen, een immense
lichtreclame. Een stralend blauwe hemel vormde het fond
voor een uitermate aantrekkelijke jonge vrouw. Omwolken liet zij
zich door de woorden ‘Jech’on, daar wil ik heen!’ Vrouwelijke
schoonheid als hemels ideaal moest hier omwille van die ene spaarzame
toerist verhullen wat ieder toeristenoog genoegzaam waarnam.
Ze stond er als de nobele Naam die Verlaine’s verwarde gemoed
kwam verlichten. Ze rekent op een vergelijkbaar verlangen bij de reiziger
van later – die er nu zowaar geld voor over heeft.
Of het nu in Korea is of ergens in Europa, waar dan ook, Verlaine’s ervaring
is de stille droom. Stil is ze vooral omdat de reiziger niet hoeft
te weten dat Spaanse paprika’s, Spaanse tomaten en meloenen die in
toenemende mate onze grootwinkelbedrijven bevolken niet in
boomgaarden een drijvende kracht achter de succesvolle Spaanse
economie vormen. De reiziger mag nog wat dromen, totdat hij op
televisie de commentaarstem hoort vertellen van het moderne
Spaanse landschap: het golft glimmend over de heuvels in langgerekte
rijen van plastieken kassen. Datzelfde land is binnen de Europese
Gemeenschap overigens bij uitstek het domein van de prostitutie als
florerende bedrijfstak. Zou Fellini dan toch gelijk hebben? Gedenkt
het meisje van Jech’on de wereldwijde uitverkoop van het landschap;
een monument voor de prostitutie van de natuurlijke wereld?
Laten we even teruggaan naar dat land van haar. Veel van die Koreaanse
prachtvolle landschappen zoals we ze uit films als Kim
Ki-Duks Spring, Summer, Winter, Fall... and Spring kennen, wekken bij
wie Korea kent, eerder de indruk gefilmd te zijn in een van de vele
landschapsparken aldaar. Dat zijn beslist gebieden van uitzonderlijke
schoonheid waar je ook zonder problemen stuit op boeddhistische
kloosters en dito monniken. Dat weten vooral de Koreanen
zelf: het is vrijwel ondoenlijk er in je eentje rond te banjeren. Dat niet
alleen: al die natuurlijke schoonheid is wel het resultaat van een uitgebreid
herbebossingsprogramma, noodzakelijk geworden na de
vele decennia waarin Koreanen uit armoede hun bossen rooiden, en
de Koreaanse Oorlog die de Japanse pogingen om als kolonisator het
land te herbebossen ruw tenietdeed. Ook laat de pracht van de landschappen
over het hoofd zien dat Zuid-Korea een vrij miserabele reputatie
heeft op het gebied van pakweg landbouwbestrijdingsmiddelen.
Dat het land een van de vier grootste importeurs van fossiele
brandstoffen ter wereld is, zit hem alleen al daarin dat de gemiddelde
Koreaanse boer zes keer zoveel bestrijdingsmiddelen gebruikt als
zijn Amerikaanse collega, die ook niet erg zuinig is ingesteld – met
alle ecologische gevolgen van dien. Opmerkelijk is dat zowel de
weelderige bosbouw als het even weelderige gebruik van bestrijdingsmiddelen
ontsproot aan hetzelfde Saemaul-programma. Dit
zo lieflijk op zijn Nederlands ‘het nieuwe dorp’ geheten project bestond
in een regeringscampagne die rond 1967werd ingezet ter verbetering
van de algemene levensomstandigheden en het inbedden
van de vereiste moderniteit in een nieuw communautair besef.
Bossen werden daarin functionele oorden, hetzij als leveranciers
van industrieel te verwerken hout, hetzij als oorden van verpozing
na gedane arbeid, of ook ter verdieping van het door de eerdere
trieste decennia flink aangevreten nationaal gevoelen, zoals het besef
dat Koreanen van oudsher hun bergen hadden vereerd. Zo is er
nauwelijks nog een Zuid-Koreaanse berg die bij toeval, langs natuurlijke
weg, werd ondergedompeld in een droom van weelderige natuurlijkheid.
Om dat nog eens nader te beklemtonen functioneert die doordacht
vrije natuur in de nationale parken net zo makkelijk als openbaar
klaslokaal. Langs de vaak geasfalteerde paden lichten borden de
passanten in over de fauna en de flora waarop zij eventueel zullen
stuiten.
Dat heb je natuurlijk ook elders. Ik trof van die borden rond een
stuwmeer in de omgeving van Bonn. Het was haast onvermijdelijk
dat een Duits gezelschap in het voorbijgaan sprak van ‘Gute Manieren
muß man haben.’ Het landschap is bij uitstek de plaats geworden
voor goede manieren. Vooral omdat die niet voor ons gelden. Waar
Actons stoute vrouwen bij wijze van landschappen die je ziet vanuit
de trein aan de afstandelijke blik moesten worden onderworpen en
dus uit de weg geruimd, dient zeker ook het landschap (de wereld)
zich niet te nadrukkelijk aan ons op te dringen: het landschap bestaat
met het doel zich beleefd over te leveren aan alle nobele wensen die
wij maar kunnen hebben, zoals ons door Verlaine werd voorgedaan.
In ruil zullen wij niet onder de rokken van haar oppervlakte gluren.
Haar oppervlakte, hoe zij ook tot stand kwam, huldigen wij als de
droom van onze natuurlijkheid: onze vluchtige beweeglijkheid.
Kijken naar een landschap dient te passen binnen gemotoriseerde
vrijetijdsbesteding. Zo brengt ons het landschap het hoogste genot
van zorgeloze ontspanning. Wie te fiets gaat, heeft het niet begrepen.
Je vat het landschap pas zodra je je fiets op de drager van je auto
laadt. Wie te fiets gaat, reikt namelijk niet aan de mogelijkheid van
haar onbeduidende weidsheid, kan geen plekje zoeken dat binnen de
vluchtigheden de onafhankelijkheid van alles formeel mag bezweren.
Het landschap is op zijn best een vorm van relaxen waar je meteen
voor kunt weglopen. Dat roept natuurlijk wel de verdenking van
hoerenloperij op.
De beste manier om dat schuldgevoel om te zetten in goede manieren
bestaat er dus in het landschap op te tuigen tot een schoolgebouw. Een prettig landschap mag ook niet te zeer op het genoegen
zijn ingericht. Het mag eraan herinneren dat wij schuldig zijn aan
aantasting, zij het enkel ter geruststelling. De borden bij het stuwmeer
hoefden dus niet in te wijden in de situatie vooraf aan de aanleg
van de dam. Die schuld was afgekocht door de vermelding van flora
en fauna. Het zou niet van goede manieren getuigen, als we ons afvroegen
wat de aanleg van de dam, monument van menselijke
drinkwatervoorziening, aan genoeglijk landschap dat zichzelf misschien
genoeg was, heeft gekost. De beeltenissen van de vertegenwoordigers
van het leven laten geloven dat wij trots moeten zijn op
onze zorg om hun voortbestaan, waar het verbeelden uitdrukking
verleent aan de machteloosheid van de zorg. terug naar boven
|