welkom werken voorbeelden interview links pers vertalen

 

 

 

Zeehond in wormgat

Nevels orgel

Verpoosd in schaduw

STOA

Het meisje in blauwe zijde

Nee, maar het gebeurt

Deze rouwmoedige schoonheid

Toon Teeken - More is more

Plooierijen van geschik

Wat een romantische droom

De man die wist wat hij wilde

De genereuze sul

Een bescheiden fluitsolo

Het reisgeld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Marc Bolan was een raar ventje. Ik zag het meteen. Ik was 11 jaar en schrok toen ik in de etalage van een platenzaak de hoes van de T. Rex-elpee The Slider zag. Een verwaten meneer stond afgebeeld met wilde krullenbos onder grote zwarte hoed, in zwart-wit, met de titel in strenge rode letters. Ik had geen idee wat dat mocht betekenen. Ik hield het voorlopig op een verschijnsel uit de wereld van de wilde volwassenen, waar ik nog geen raad mee wist.
Rond die tijd leerde ik via de Duitse televisie mijn eerste T. Rexhits kennen, daarbij nog geholpen door de Engelse programma’s van Radio Luxemburg. Het was een eenzaam genoegen: in Engeland sloeg de band verpletterend aan, maar Nederland kon met hits als ‘Metal Guru’ of het latere ‘20th Century Boy’ weinig aanvangen. Misschien lag het aan de glitter op het gezicht, de boa om de nek, de satijnen kleding, de kokette falset, het mal opgepoetste cockney accent? Nederland giechelde nog om Albert Mol, maar die verwijfde zelfbenoemde god van de popmuziek uit Engeland was niet eens een homo. Sowieso vond de Nederlandse popjournalistiek nog feller dan de Engelse pers dat Bolan zijn eerste verschijningsvorm, het duo Tyrannosaurus Rex, de nek had omgedraaid en met zijn overgang naar een elektrische viermansband artistieke uitverkoop hield, plotsklaps nonsensicale teksten schreef waarmee je de wereld niet kon veranderen. Daarbij sprak niet in Mark Felds voordeel dat het pseudoniem ‘Bolan’ ontleend leek aan de naam van zijn grote voorbeeld, Bob Dylan. Ik had er geen problemen mee: van de voorgeschiedenis had ik geen benul, mijn Engels stelde niet veel voor, over wereldverbetering dacht ik niet na, en de dubbelzinnige uitstraling obsedeerde mij.
De aanschaf van een elpee was een rib uit het lijf. Het was een gelukje om te stuiten op een T. Rex-verzamelaar. Daar stond echter niet één hit op: de platenmaatschappij van het oude werk slingerde sluw een compilatie van Tyrannosaurus Rex op de markt als een van T. Rex. Onbedoeld belandde ik bij Bolan als hippie, die zelf weer was voortgekomen uit de piepjonge mod in tweedehands kleding. Daar had ik nog geen idee van, en ook niet dat hij tussentijds deel had uitgemaakt van een absoluut destructieve protopunkband, John’s Children. Een concert van Ravi Shankar had dat allemaal weer veranderd. Opeens hoefde Bolan geen zalen meer kort en klein te slaan, het kon ook met inkeer. Het resulteerde in Tyrannosaurus Rex: aandoenlijke melodieën van sprookjesachtige maar altijd rauwe liedjes, gezongen door een kwikzilveren, wendbare stem, naar imago primair begeleid door bongo’s en een akoestische gitaar.
Je hoefde echter niet bijster goed op te letten om veel meer te horen dan de instrumenten die het duo officieel bespeelde. Overdubs en kunstmatigheid waren dankzij producer Tony Visconti al vroeger aan de orde van de dag dan men wilde weten: Bolan was niet voor honderd procent voorvechter van het macrobiotische en natuurlijke. Het pièce de resistance van mijn verzamelaar liet dat nog eens duidelijk merken: het snerpende staaltje gitaarrock, ‘Elemental Child’, kwam heel wat meer overeen met de band die ik opdeed van radio en tv.

 

terug naar boven

 

Wie in de war wil raken, griezelen wil, kwaad wil worden of zich door nachtmerries laten bezoeken, houdt zich het beste onledig met websites over de talrijke samenzweringen achter 11 september 2001. Je kunt er het ene moment zelf vaststellen dat op de passagierslijsten van de vier vliegtuigen niet één van de alom bekende hoofdverdachten lijkt voor te komen, om dan prompt van een andere website te vernemen dat die heren – die volgens die eerste website dus niets met de gebeurtenissen van doen hadden – rekruten van de cia waren, maar voor een conventionele kaping. Een subtiel verschil, maar ze zaten er dus toch in.
Heb je eerst met rode oortjes zitten lezen hoe in het Pentagon sowieso niet een vliegtuig, maar een kruisraket naar binnen is geraasd, blijken volgens een andere website tientallen ooggetuigen te spreken van een verkeersvliegtuig. Omdat een mens nooit gezien kan hebben wat hij gezien zegt te hebben, moet het wel een verkeersvliegtuig met explosieven onder de vleugels betreffen. Anderen beweren dan dat de inslag in het Pentagon getuigde van een uiterst beperkt verwoestend vermogen. Bommen kunnen het ook weer niet geweest zijn. Heb je eenmaal begrepen dat uit het Pentagon wel degelijk stoffelijke overschotten van passagiers zijn geborgen, werkt een ander weer nauwgezet uit dat de vier vliegtuigen inderdaad wel gekaapt werden, maar zich dan eerst naar een Amerikaans militair vliegveld lieten dirigeren, waar alle passagiers klaarblijkelijk zonder al te veel protest overstapten op het vliegtuig dat neerstortte in Pennsylvania. Immers: de Amerikaanse luchtmacht schoot het daar uit de lucht. De drie resterende vliegtuigen vervoerden geen passagiers, hadden ook helemaal geen bemanning aan boord. Zij werden op afstand bestuurd, door enige Amerikaanse geheime dienst.
Een volgende onderzoeker weet een overschot aan fijnmazige dwarsverbindingen te leggen tussen Mohammed Atta en Raytheon, een bedrijf in geavanceerde militaire apparatuur. Opmerkelijk genoeg blijkt bij navlooien van de passagierslijsten een niet te onbelangrijk werknemer van hetzelfde bedrijf aan boord te zijn geweest. Nu we het toch over de passagierslijsten hebben: her en der weerklinkt, zoals we al zagen, de mare dat daarop geen van de vrijgegeven kapersnamen voorkomt. De woekering van deze vertelling is zo nadrukkelijk en alomvattend dat het even duurt voordat je ontdekt hoe cnn, de primaire bron van die lijsten, ze niet publiceerde als passagierslijsten, maar expliciet als lijsten van slachtoffers, en zoals te doen gebruikelijk de kapers niet tot de slachtoffers rekende. Het maakt echter niet uit wat de heren wel of niet ondernamen. Over de gedragingen van Mohammed Atta valt te lezen: ‘Far from trying to blend in, Atta operated quite openly and even seems to have deliberately tried to draw attention to himself as a potential terrorist. He acted as though he wanted to build a ‘legend’ as a terrorist, and as though he had guaranteed protection from high inside the U.S. government. Evidence that this was in fact the case will be discussed later.’ Dit verhaal dient om te verklaren waarom de heren (die volgens anderen dus niet in de vliegtuigen zaten) zich bijwijlen wel erg antifundamentalistisch gedroegen: ze gokten, ze bezochten stripperstenten. Anderen voeren precies dezelfde feiten aan ter ondersteuning van de stelling dat de heren geen terroristen kunnen zijn geweest, slechts zijn ingezet als een stelletje patsies, om het woord van de heilige koe der complottheorieën, Lee Harvey Oswald, weer eens bij de hoorns te pakken.
Uit Oliver Stones lofzang op de onschuld van de stroman, de patsy, het cinematografisch meesterwerk jfk, kennen we de natuurkundige exposés die moeten aantonen dat John F. Kennedy niet door één maar door een groter aantal kogels, oftewel een groter aantal schutters, moet zijn neergeschoten. Ook ten aanzien van 11 september 2001 laten de natuurkundigen zich niet onbetuigd. Sommige wetenschappers redeneren zich in bochten, te complex voor afstandsbesturing, om te bewijzen dat vanuit vliegtuigen niet kan worden getelefoneerd. Al de gijzelaars die vanuit de gekaapte vliegtuigen naar hun geliefden lijken te hebben gebeld, hebben in enige andere ruimte willens en wetens hun geliefden misleid en moeten momenteel, op zijn best, onder een andere identiteit verder leven. Hetgeen weer veronderstelt dat de bellers vanuit de vliegtuigen naar een studio zijn getransporteerd, waar op de achtergrond de kaping werd geënsceneerd. Zo leiden we uit de theorie dat vanuit vliegtuigen niet gebeld kan worden, noodzakelijkerwijs de betrokkenheid van Hollywood af.
Het kan altijd maller. Op 11 september zijn niet eens vliegtuigen het wtc ingevlogen. Nee, ik spreek niet van het Pentagon, ik spreek wel degelijk van het wtc: wat wij in onze gemediatiseerde onschuld voor vliegtuigen aanzagen, betrof een stelletje hologrammen, waarbij de explosies die leidden tot het ineenzijgen van de torens van binnenuit tot stand waren gebracht. De stellingname vindt zijn basis in het opmerkelijke gegeven dat vooraf aan de inslag van de vleugels van het eerste vliegtuig overduidelijk een rookpluim valt waar te nemen. Dat kan niks met de inslag van de vleugels van doen hebben. De theoreticus van dienst, die zijn brede kennis van Amerikaanse geheime militaire operaties etaleert, ziet zeker niet over het hoofd dat een vliegtuig dat bestaat uit louter vleugels tot op heden zelden werd waargenomen. Het doorsnee verkeersvliegtuig beschikt ook over een cockpit, geplaatst vóór de vleugels. Je zou zeggen: die slaat eerder in. Het gaat bij de makers van deze theorieën niet alleen om losgeslagen individuen. Zelfs een respectabele instelling als de Duitse televisiezender wdr presteert het om, zoals Der Spiegel weet te achterhalen, de zelf opgenomen ooggetuigenverslagen van de gebeurtenissen in Pennsylvania voor een televisiedocumentaire dusdanig te verknippen dat plots geen mens meer getuigt van de wel degelijk in de rondte geslingerde vliegtuigonderdelen. Verzwegen wordt volgens Der Spiegel bovendien dat het in alle openbaarheid opruimen van het puin niet minder dan dertien dagen lang heeft geduurd. Bovendien zijn de restanten, groot en klein, tot op de huidige dag bij de verzekeringsmaatschappij van United Airlines ter inspectie voorhanden.
Het kan nog erger: nog altijd geloven mensen dat er in het wtc 4000 Israeli’s werkten, die van tevoren werden gewaarschuwd en aldus aan de dood ontkwamen. Ook dit resulteert uit het vervormd weergeven van feiten. De oorsprong van het verhaal ligt in het bericht dat de Israëlische autoriteiten zich die dag ernstig zorgen maakten om de 4000 Israëlische burgers, woonachtig in New York City. Deze 4000 waren echter niet met zijn allen in het wtc tewerkgesteld. De idee dat een dergelijk groot aantal Israëli’s zich ophoudt in het knooppunt der geldstromen, vertoont op zijn zachtst gezegd enige gelijkenis met de aloude waan omtrent de onlosmakelijke band tussen jodendom en kapitaal, stamt uit de Arabische pers en is zeker ook te bezichtigen op Amerikaanse websites van antisemitisch allooi.

 

terug naar boven

 

 

Inmiddels zijn er ook minder vogels om in je netten te krijgen. De menselijke jaloezie heeft zich in zijn bewegingsdrift gewroken. Ik noem maar wat: de kievit, de geelgors, de veldleeuwerik genieten door de gerationaliseerde Europese landbouw steeds minder van de levensvreugde die de producten ons wel opleveren. Het probleem is wereldwijd. De albatros, Baudelaire’s symbool van de dichter als de grote ander, weet zich niet langer bedreigd door ‘les hommes d’equipage’ die hun verveling willen bestrijden, maar door de heel wat daadkrachtiger langelijnvisserij, die zich niet alleen mengt in hun buit, maar en passant ook de albatros meeneemt. Ook kraanvogels, papegaaien, wat al niet ginds in den vreemde, ze gaan sombere tijden tegemoet, als moesten ze worden gestraft voor de verhalen die wij met zoveel bombarie om hun gesponnen hebben.
In Australië is de gele rietvink inmiddels bedreigd. Cynisme kent zo min als vogels grenzen. Ik verneem van de zeldzaamheid via de vrolijke website van een Vlaamse meneer die thuis gele rietvinken houdt. Trots deelt hij mee: ‘Wat de vogels zelf betreft kan ik er nog aan toe voegen dat het zeer actieve vogels zijn die wel een volière nodig hebben om zich goed te voelen. Ze zitten nooit stil, het zijn echte acrobaten die altijd druk doende zijn om allerlei soorten takjes en twijgjes af te bijten. (...) Ze zijn absoluut vredelievend tegenover andere vogelsoorten en een lust voor het oog. Hun gezang begint zeer stil, omzeggens onhoorbaar. Je kan het eigenlijk beter zien dan horen maar na een poosje begint het luider te worden zodat het uiteindelijk eindigt in een heel luid en geweldig gezang. Met deze vogels zijn ook op tentoonstelling prima resultaten te behalen.’ En op de achtergrond speelt dan vermoedelijk Orrs radio, en de eigenaar trekt zijn schoonste nostalgische gezicht.
De nostalgie zal haar domein zeker nog uitbreiden. We mogen beginnen aan een elegische houding tegenover de ons zo zeer definiërende technische vindingen, meer nog dan ten aanzien van de natuur die we vermoedelijk hebben verspeeld. Er is misschien een sprankje hoop voor de soorten die resteren, vogels, of zelfs voor talen die dreigen te bezwijken onder het kwinkeleren van grote taalgemeenschappen. Een tijd dient zich aan waarin wij, als wij verstandig zijn of het eindelijk worden, ons hoofd nederig zullen moeten buigen. Onze alomvattende beweeglijkheid loopt ten einde, gaat al langzaam in stilte mank. Namelijk: de mondiale olievoorraden bereiken binnen niet al te lange tijd de helft van de ooit aanwezige capaciteit. De helft die resteert is daarbij in toenemende mate van mindere kwaliteit en moeilijker te winnen. We weten: hoe schaarser een product, hoe duurder het wordt, maar: je krijgt er op den duur niet eens hetzelfde voor terug. Daarbij komt dat de bestaande olievoorraad sterker wordt aangesproken dan ooit het geval geweest is. Met steeds meer vliegtuigen beweegt de welvaart zich in sprongen door de wereld. Ze doet dichtbevolkte landen als China en India aan die (volstrekt legitiem) hetzelfde recht opeisen als wij om de aarde leeg te zuigen. Nu heeft olie de prettige eigenschap van hoge energiedichtheid. De waarde van het gebruik van die dichtheid is echter wel afhankelijk van de energie die je erin moet steken om haar überhaupt te winnen en als eindproduct af te leveren. Die kosten nemen exponentieel toe naarmate het einde van de olie in zicht komt. Het gevolg is dat olie onvermijdelijk duurder wordt omdat ze relatief minder nieuwe energie levert. We zullen er minder gebruik van moeten maken om het punt van ineenstorten van onze economie uit te stellen, tijd te winnen voor vervangende bronnen. Vrijelijk bewegen wordt een luxueuze onderneming.
In de Verenigde Staten bestaat in toenemende mate aandacht voor dit probleem. De bibliotheek aan publicaties over het ‘peak oil’ of ‘oliepiek’ gedoopte verschijnsel groeit met de dag, zoals ook het aantal websites die aan dit vooruitzicht worden gewijd. Zelfs een mainstream medium als nbc kan er niet omheen aandacht te besteden aan het probleem. Het viel te verwachten: de Verenigde Staten, thuishaven van Duncan en Dolphy, dankt zijn wereldomspannende dominantie ten eerste aan de olievoorraden die het land sinds het einde van de negentiende eeuw zijn wereldomspannende reikwijdte van beweging vergunden. Lang kon de hyperpret van een vrolijke welvaart verhullen dat de Amerikaanse olievoorraden reeds in 1971 hun piek bereikten. Het was daarom dat de Verenigde Staten hun aandacht plotsklaps nadrukkelijk op het Midden-Oosten richtten. Evenmin is toevallig dat het Verenigd Koninkrijk (waar ook bbc’s Newsnight een discussie aan dit thema wijdde) zich inzake Irak zo nadrukkelijk aan de zijde van de vs schaarde: de eigen Britse olievelden in de Noordzee piekten in 2000. Datzelfde dreigt volgens analisten uit de oliebranche op korte termijn voor allerlei landen, met name ook voor olieleverancier numero één, Saudi Arabië. De noodzaak om zo snel mogelijk zo veel mogelijk macht te verwerven over de uitstaande reserves wordt voor menig politicus van steeds overweldigender betekenis.

 

terug naar boven

 

 

Zoals bezoekers van Koreaanse speelfilms weten, kan het Koreaanse landschap van een overweldigende melancholieke schoonheid zijn. Weelderig beboste bergen in groten getale wekken snel de indruk dat de bewoners van de Koreaanse boomtowns met hun lange rijen appartementsgebouwen van zo’n 20 verdiepingen hoog nog altijd leven in diepe harmonie met de natuur. Koreanen mogen dat ook graag in andere culturele producten uitdragen. Maar wie eens serieus op reis gaat door het land, stuit al vlot op tekenen van tegenspraak. Ik herinner mij landschappen in het diepe zuiden waar bergen pijnlijk kaal afstaken tegen langgerekte fabriekscomplexen voor de petrochemische industrie. Ik herinner mij een ritje per spoor dat de weelderig aaneengeregen steile bergmassieven van Sobaeksan verbond met die van Ch’iaksan. Onderweg trok de trein echter over tientallen kilometers voorbij aan bergen die het bouwen van appartementen mogelijk maken: bergen die gebruikt worden voor de cementindustrie.
De meeste tragiek ademde daar de vallei rond het stadje Jech’on. Deze onooglijke, afgeleefde nederzetting, ingeklemd tussen de afgekloven berglandschappen die de stad überhaupt pas haar functie verleenden, voerde, midden tussen zijn fabrieksgebouwen, een immense lichtreclame. Een stralend blauwe hemel vormde het fond voor een uitermate aantrekkelijke jonge vrouw. Omwolken liet zij zich door de woorden ‘Jech’on, daar wil ik heen!’ Vrouwelijke schoonheid als hemels ideaal moest hier omwille van die ene spaarzame toerist verhullen wat ieder toeristenoog genoegzaam waarnam. Ze stond er als de nobele Naam die Verlaine’s verwarde gemoed kwam verlichten. Ze rekent op een vergelijkbaar verlangen bij de reiziger van later – die er nu zowaar geld voor over heeft.

Of het nu in Korea is of ergens in Europa, waar dan ook, Verlaine’s ervaring is de stille droom. Stil is ze vooral omdat de reiziger niet hoeft te weten dat Spaanse paprika’s, Spaanse tomaten en meloenen die in toenemende mate onze grootwinkelbedrijven bevolken niet in boomgaarden een drijvende kracht achter de succesvolle Spaanse economie vormen. De reiziger mag nog wat dromen, totdat hij op televisie de commentaarstem hoort vertellen van het moderne Spaanse landschap: het golft glimmend over de heuvels in langgerekte rijen van plastieken kassen. Datzelfde land is binnen de Europese Gemeenschap overigens bij uitstek het domein van de prostitutie als florerende bedrijfstak. Zou Fellini dan toch gelijk hebben? Gedenkt het meisje van Jech’on de wereldwijde uitverkoop van het landschap; een monument voor de prostitutie van de natuurlijke wereld? Laten we even teruggaan naar dat land van haar. Veel van die Koreaanse prachtvolle landschappen zoals we ze uit films als Kim Ki-Duks Spring, Summer, Winter, Fall... and Spring kennen, wekken bij wie Korea kent, eerder de indruk gefilmd te zijn in een van de vele landschapsparken aldaar. Dat zijn beslist gebieden van uitzonderlijke schoonheid waar je ook zonder problemen stuit op boeddhistische kloosters en dito monniken. Dat weten vooral de Koreanen zelf: het is vrijwel ondoenlijk er in je eentje rond te banjeren. Dat niet alleen: al die natuurlijke schoonheid is wel het resultaat van een uitgebreid herbebossingsprogramma, noodzakelijk geworden na de vele decennia waarin Koreanen uit armoede hun bossen rooiden, en de Koreaanse Oorlog die de Japanse pogingen om als kolonisator het land te herbebossen ruw tenietdeed. Ook laat de pracht van de landschappen over het hoofd zien dat Zuid-Korea een vrij miserabele reputatie heeft op het gebied van pakweg landbouwbestrijdingsmiddelen. Dat het land een van de vier grootste importeurs van fossiele brandstoffen ter wereld is, zit hem alleen al daarin dat de gemiddelde Koreaanse boer zes keer zoveel bestrijdingsmiddelen gebruikt als zijn Amerikaanse collega, die ook niet erg zuinig is ingesteld – met alle ecologische gevolgen van dien. Opmerkelijk is dat zowel de weelderige bosbouw als het even weelderige gebruik van bestrijdingsmiddelen ontsproot aan hetzelfde Saemaul-programma. Dit zo lieflijk op zijn Nederlands ‘het nieuwe dorp’ geheten project bestond in een regeringscampagne die rond 1967werd ingezet ter verbetering van de algemene levensomstandigheden en het inbedden van de vereiste moderniteit in een nieuw communautair besef. Bossen werden daarin functionele oorden, hetzij als leveranciers van industrieel te verwerken hout, hetzij als oorden van verpozing na gedane arbeid, of ook ter verdieping van het door de eerdere trieste decennia flink aangevreten nationaal gevoelen, zoals het besef dat Koreanen van oudsher hun bergen hadden vereerd. Zo is er nauwelijks nog een Zuid-Koreaanse berg die bij toeval, langs natuurlijke weg, werd ondergedompeld in een droom van weelderige natuurlijkheid. Om dat nog eens nader te beklemtonen functioneert die doordacht vrije natuur in de nationale parken net zo makkelijk als openbaar klaslokaal. Langs de vaak geasfalteerde paden lichten borden de passanten in over de fauna en de flora waarop zij eventueel zullen stuiten.
Dat heb je natuurlijk ook elders. Ik trof van die borden rond een stuwmeer in de omgeving van Bonn. Het was haast onvermijdelijk dat een Duits gezelschap in het voorbijgaan sprak van ‘Gute Manieren muß man haben.’ Het landschap is bij uitstek de plaats geworden voor goede manieren. Vooral omdat die niet voor ons gelden. Waar Actons stoute vrouwen bij wijze van landschappen die je ziet vanuit de trein aan de afstandelijke blik moesten worden onderworpen en dus uit de weg geruimd, dient zeker ook het landschap (de wereld) zich niet te nadrukkelijk aan ons op te dringen: het landschap bestaat met het doel zich beleefd over te leveren aan alle nobele wensen die wij maar kunnen hebben, zoals ons door Verlaine werd voorgedaan. In ruil zullen wij niet onder de rokken van haar oppervlakte gluren. Haar oppervlakte, hoe zij ook tot stand kwam, huldigen wij als de droom van onze natuurlijkheid: onze vluchtige beweeglijkheid. Kijken naar een landschap dient te passen binnen gemotoriseerde vrijetijdsbesteding. Zo brengt ons het landschap het hoogste genot van zorgeloze ontspanning. Wie te fiets gaat, heeft het niet begrepen. Je vat het landschap pas zodra je je fiets op de drager van je auto laadt. Wie te fiets gaat, reikt namelijk niet aan de mogelijkheid van haar onbeduidende weidsheid, kan geen plekje zoeken dat binnen de vluchtigheden de onafhankelijkheid van alles formeel mag bezweren. Het landschap is op zijn best een vorm van relaxen waar je meteen voor kunt weglopen. Dat roept natuurlijk wel de verdenking van hoerenloperij op.
De beste manier om dat schuldgevoel om te zetten in goede manieren bestaat er dus in het landschap op te tuigen tot een schoolgebouw. Een prettig landschap mag ook niet te zeer op het genoegen zijn ingericht. Het mag eraan herinneren dat wij schuldig zijn aan aantasting, zij het enkel ter geruststelling. De borden bij het stuwmeer hoefden dus niet in te wijden in de situatie vooraf aan de aanleg van de dam. Die schuld was afgekocht door de vermelding van flora en fauna. Het zou niet van goede manieren getuigen, als we ons afvroegen wat de aanleg van de dam, monument van menselijke drinkwatervoorziening, aan genoeglijk landschap dat zichzelf misschien genoeg was, heeft gekost. De beeltenissen van de vertegenwoordigers van het leven laten geloven dat wij trots moeten zijn op onze zorg om hun voortbestaan, waar het verbeelden uitdrukking verleent aan de machteloosheid van de zorg.

 

terug naar boven

 

 

 

Querido/Vantilt

 

laatste wijziging: 12 juli 2008