|
Zeehond in wormgat
Nevels orgel
Verpoosd in schaduw
STOA
Het meisje in blauwe zijde
Nee, maar het gebeurt
Deze rouwmoedige schoonheid
Toon Teeken - More is more
Plooierijen van geschik
hoofdstuk 7
hoofdstuk 24
hoofdstuk 29
hoofdstuk 38
hoofdstuk 53
Wat een romantische droom
|
Het liefste ben ik Fergie. Ik ben het liefst de geslagen hond die moest toekijken toen er werd gemoord. Ik ben het liefst de geslagen hond die moest toekijken toen de broer met bijl de broer onder de slaapmuts onthoofdde. Ik ben het liefst de geslagen hond die irritant lag te janken toen het hoofd dat uit het bebloede bed was gerold, nog even leek te ontwaken. Ik ben het liefst de sukkel die het hoofd nog eventjes de ogen likte. Ik ben het liefst het kwieke hondje dat werd geslagen en geschopt en bedreigd met de bijl na zijn hondse blijk van vergevingsgezinde aanhankelijkheid. Het liefst zat ik niet in de ontspanningsruimte te wachten op nieuwe juridische ontwikkelingen zonder uitzicht op verlossing uit de terbeschikkingstelling. Ik ben de hond; laat mij dan ook maar de Oervorm van de Hond zijn.
Mijn woedende treurnis zou ik het liefste omzetten in mijn oude geile felheid rond schapenbillen. Als mens inmiddels ook geslagen, heb ik de dood een handje toegestoken.
Hij lag in bed. Hij lag met zijn dikke kop, door koortsen bevangen, in bed. Tussen de groezelig bleekblauwe lakens was zijn gezicht behoorlijk scharlakenrood. Met de lamp lichtte zij de razernij van zijn bezwete haren bij. Hij was zo ver heen dat licht hem niet kon wekken.
Wij keken elkaar aan. In onze blikken zullen we sporen hebben ontdekt van het verdriet om het verlies dat wij een jaar tevoren zo ondoorgrondelijk en macaber hadden moeten lijden. In de mijne lag meer nog dan dat. Ik bezat onuitsprekelijke kennis omtrent de grote blauwe knoop die was gevonden in de meisjeshand.
Ik wist als enige hoe haar wanhoop almaar was gegroeid toen de man die daar koortsig lag te zweten niet degene traceren kon aan wie het colbert van de grote donkerblauwe knoop had toebehoord. Mijn hoofd wendde ik af.
Mijn stille aandacht richtte ik op de alleen aan mijn ogen verschijnende schaduwgestalte. Opnieuw hoorde ik haar fluisteren over de kieren in de deuren van de stal, de kieren in de stenen van de muur. Ik ging ervan uit dat ik het allemaal zelf verzon. Maar ze was er, zo lijfelijk als zij in haar lijfelijke bestaan ieder al had toegeschenen.
Ze fluisterde van de warme namiddag in de schuur, en van het geurende hooi, fluisterde van het koppel paarden dat zich voor niets interesseerde. Ze fluisterde van de geluiden die van buiten gekomen waren en de geluiden overstemden.
Steeds dieper daalde haar stem toen ze de woorden herhaalde die ooit waren gesproken aan de haard toen er nog geen grote donkerblauwe knoop was, nog geen colbert waaraan de knoop eens zou ontbreken.
Dieper daalde haar stem, en hoe dieper de stem daalde, hoe meer moeite het mij kostte te blijven geloven in de onschuld van de machten die over de natuur schijnen te heersen.
Alsof ik dat niet altijd al geweten had. Alsof ik haar niet vaak met verwijtende blik had getracht te attenderen op de risico's die zij met dat plukken van rozenblaadjes liep om te ontdekken of de natuur dan werkelijk, en niet zomaar, de dingen deed die je niet zo maar kunt doen.
Alsof ik haar niet met verwijtende kraaloogjes had getracht te herinneren aan de woorden waaraan zij mij in haar schaduwbestaan te laat probeerde te herinneren. Alsof ik het niet altijd al geweten had, meteen al aan de haard toen het verhaal verteld werd en de vingerwijzingen zich hadden geopenbaard. Toen al, vervloekte stenen, wist ik ervan. Trouwhartig hondengekwijl! Wie niet horen wil voelt de roede suizen, wordt onder het lood van zijn oordopjes verpletterd.
terug naar boven Ik faal in elke bewoording, maar vervul de schoonheid. Niet enkel besteedde ik mijn tijd aan de gedreven filosofische exercities met de annalenschrijver van het huis mijner vaderen, of de zich in zijn contradictiën altoos verstrikkende en verstikkende Ier Toland, die zich beter had gewijd aan het pure onderzoek van feiten, of met de prachtvolle gloedvolle lofzangen op de zielsverhuizing of ander resteren van de ziel zoals getoonzet door de wonderbare Van Helmont, of de ontledingen door de galante Bayle, zo scherpzinnig dat hij Leibniz dreef tot hoogste inspanning van zijn edele geest, en zo zei hij mij dat niets zo doeltreffend zou zijn als de galante allesweter in een nog alomvattender werk eens te bewijzen hoezeer hij in weerwil van al zijn galant redeneren en weelderig verzamelen van kennis de plank totaal missloeg in zijn verkondigen dat het bestaan van het kwaad en het geloof in de goedheid van God voor de natuurlijke rede onverenigbaar zijn en dat ons om der wille van zielenrust en de instandhouding van het christelijk geloof niets rest dan de wetten van het geloof boven de rede te stellen. Onzin, zei hij, onzin. Een oneffenheid in een porseleinen vaas toont de vaardigheid van de meester in zijn vervolmakingen.
Nu, en zo besteedde ik mijn tijd ook niet enkel en alleen in de galanterie van wandelen en muziek, hoe gespitst ook mijn horen bij Arcangelo's verhalen van de veel rijker geoutilleerde opvoeringen die hij te Londen van Purcells The Faerie Queen had mogen meemaken, ja, met die Chinese tuin en de onbekende architectuur, het fantasievolle geboomte met zijn onvoorstelbare vruchten, vogels en overig opmerkelijk gedierte rond een poort die van goud en luxueuze stoffen glanst en waarboven in een stijgen van terrassen zich vertoonde een hangende tuin onder het cirkelen van vogels boven het plooien en waaieren van de fontein op het hoogste terras. En van het binnendansen sprak hij van een Chinese man en vrouw die kwamen zingen van de vrijheid te mogen leven in de weelderige rijkdommen van de natuur die holle faam onmogelijk maken en een onneembare hindernis vormen tegen eerzucht en trots.
En dus zong ik: ‘Thus happy and free/ thus treated are we/ with Nature's chiefest delight’ vol overgave in de ovale kamer en danste in een hemelse cirkel op het lichtvoetig ritme van deze woorden, begeleid door Arcangelo's liefde verspreidende snaarwerk, en wist dat hij me begeleiden zou naar wouden die mij niet toebehoorden. Overwoog wijsheden omtrent de verre oosterlingen, zoals gedebiteerd door mijn Leipziger vriend, die net zo goed berichtte van het soort quiëtisme dat aldaar verkondigd door ene Foë en met hetwelk hij in principe onmogelijk kon instemmen, al koesterde hij wel degelijk net zo goed de overtuiging dat nog in de kleinste zandkorrel het gehele universum resideerde, en graag zag ik in de omwervelingen van het geboomte, het gazon en het terras onder het moduleren van snaren en ogen, zoals zij vervloeiden tot mijn vriend Arcangelo Corelli, universa zich voegen tot de alomvattendheid alle van vrije koninklijkheden waar vrouwen vriendelijk en daadkrachtig de cirkels verbreken. Mijn vriend, die spitsvondig opmerkt dat de opvatting foutief is volgens welke God slechts perfect zou zijn als Hij ons louter en alleen gouden bestek en servies had vergund, ons zou hebben gedreven tot het stuksmijten van porselein, en in de dagen van de bommenstorm op mijn lieve lieve Lützenburg nooit goud de steden zag komen bekleden in een postuum saluut met verschrikking en voldoende reden tot twijfel, deze zelfde Leipziger vriend van wie ik houd tot in mijn tenen liet niet na mij verder in te wijden in het oosterse Boek der Veranderingen, en ook schonk hij me de kennis omtrent hun inzichten volgens welke de materiële wereld door de kracht van Li, zijnde opperste orde en redelijkheid, in diens scheppingen is begiftigd met een ingeboren neiging tot onderlinge orde en een zich neervlijen in voorbeschikte eendracht, zoals hijzelf haar naar de rede als het ultieme godsgeschenk aan onze ondermaansheid had blootgelegd. Ik las Racines Athalie, maar ook Gryphius' Leo Armenius, en schrok, want ontdekte hoe de wereld zich van beide theaterwerken meester maakte en ze een leven toebedeelde dat ze als een schildering van wulps woekeren losrukte uit de koninklijke schilderijengalerij, ze voortjoeg tussen de linden met links het nieuw verworven eigendom Friedrichstadt en rechts ons oude verzet tegen de macht der steden, Dorotheenstadt, en op naar de Tiergarten, voort langs de daglonershuizen, en dan door de wouden met wolven en beren, waar je struikelt over gevallen boomstammen, vogels hoort dreigen, geknars hoort van zwijnen, vreest voor de zwartsnuitigen die je met hun stoten neerhalen, en moeten hopen op de bedaagde reiger die het vrolijk blonde meisje brengt en haar horen zeggen: ‘Ik heb gesproken met uw kleinzoon, ouder dan u. U moest eens weten hoe hij steen en been liep te klagen, over u, en uw gemaal. Over uw en zijn onbeduidendheid.’
terug naar boven
Pas op: dieventaaltje van vroeger kijkt de hoek om in het Nederlands. Je raakt eraan gewend, hebt het te vaak gesproken, moet eraan ontkomen, dieventaal gevaar, zet je klem in zelfverheffende beleefdheid. Terug naar dieventaaltjestijdperk, jezelf aankijken in de dingen die je zag, peilbaar maken wat peilbaar leek. Voorzichtig beginnen met het wel erg voortreffelijke graf van wie het stadje had gemaakt tot hoe het had moeten blijven, meneertje Johan Maurits van Nassau, die in conversatie afdaalt door het amfitheater, de blik goedkeurend wijdt aan zijn bosschages en rechte verre lijn, afgezoomd door de kruinen. Joost van den Vondel heeft hem hemelhoog geprezen, nog voordat ik niet boomblad was, een niet eens welgestelde die niet gedacht te genieten van het weelderige aangroeisel, menigeens buik, dat zich onttrok aan het verplooien in het schrokken der fazantenbouten en het druppelende vleessap, grof gesneden wortelstronken gleden van tussen tanden weg, die pijnlijk oplichtten bij de gesmolten suiker. Volgden oprispingen en het achteroverhangen in zetels en slapjes meeneuriën zodra een wijs werd vertolkt uit het Uitnement Kabinet, degelijk van schoonheid, strelend plavuizen, ik met mijn vingers over de stille trilling van de luit, de gobelins en de kaarsen in hun kandelaars, keek in het gezicht van mijne tweede echtgenote, Margarethe, vergat treurniswekkend verdict na treurniswekkend verdict welk ik aan het gerechtshof had gepleegd; doodstraffen toegekend, martelingen toegestaan, zweepslagen aanbevolen, andermaal bestraffen de ruwe scheldpartijen bij het grenzen overjagen van zwervend volk, mijn geest dwaalde van Zwanenburcht met pronte Zwanentoren, hoog, masculien lage Johannestoren dromerig door de zomerwarmte over stoffig brede Nassauer Allee, groette de burgertuinen aan weerszijden en knikte vriendelijk naar de veelvuldige vrouwen in menigvuldige kledij die mij, jonggetrouwde, beoordeelden als gemiste kans, zij weten tenslotte niet van de grote toekomst mij beschoren in onze residentieel gerijpte stad, als tot in Parijs geroemde vrucht van ingespannen arbeid aan schoonheid en arcadische trouw welke verrichtte de slachter uit Pernambuco, vertederd door loof bij het grijzen zijner slapen, minder en minder gehinderd door de herinnering aan het weeklagen onder de Braziliaanse reuzinnenvrouwen, zo heeft hij Kleef herschapen tot Rijnse weelde, waar tuin ons nog vermoeden doet dat wij ontvangen Aeneas. Keurvorst Groot bezoekt ons menigmaal, over Allee van stadhouder en familielid, genadiglijk heft hij zijn brede rechterhand boven het zachtmoedige bruin van het krijgshaftige paard, wij bewonderen de stem die bij Hakenberg hoogstpersoonlijk 4200 ruiters leidde om te verjagen door veld en wateren Wrangels Zweden, langs Fehrbellin en Neuruppin vluchtende. Maar ik blijf daar niet aan denken, want alles wandelt verder en de vaderen maken voor nieuwe vaderen plaats die vrezen hun vaderen en hopen niet het ros te moeten bestijgen doch slechts soldaten hopen af te moeten staan, zich voor het overige te wijden aan de uitbouw van de geest, schoonheid en aanzien. Ook ik wandel voort en verdwijn van wandeling tot wandeling in voorouder op voorouder, neem aan mijn zijde menigmaal mee mijne Margarethe, grijzer wordt zij grijzer, wij bespreken de vreugdes die kinderen bereiden, bespreken de ziekten haars vaders, voormalig secretaris onzer nog altijd innig geliefde Staatse tweelingstad aan de overzij der wufte heuvelen. Vragen ons af hoe het verder moet met de trotse Van Heukeloms aldaar, aan wie wij gelieerd, die ten diepste zuchten onder de koppigheid bij de andere Oranje, Willem, het derde aldus geheten geval, kil kwallerig canaille, pertinente idioot, valse beschuldigingen hem van alom toegefluisterd, wij maar niet begrijpen, ons steeds afvragen of moeke Agnieta niet vies spelletje speelt; wat heeft zij haar broer, raadspensionarisje, wijsgemaakt zodat spitsbaard die Engeland meter voor meter opslokt, de woeste grijze wateren van de Ierse Zee oversteekt om papenbarbaren neer te sabelen, te bekanonneren, te ontdoen van darmen en hersenen, toegefluisterd dat de spitsbaardige papenhater het de Gelderse steden blijft misgunnen zelve te verkiezen wie hen mag regeren, ware het geen goede gedachte hier te Kleef beter dan gepleegd het goede voorbeeld de stadhouder onzer zusterstad te geven, we weten immers: ook mijn goede broeder Justinus doet ginds zijn best, doch wie hem omringen, allengs valt er weer eentje om van ouderdom, is spitsbaard te druk met nieuwe tuinschikking op Het Loo of zachtelijk verzorgen van een nieuw boeketje in de pasverworven porselein vaas, Marieke speelt hem een melodietje voor, de honden rollen over elkaar heen aan zijn voeten, of denk aan een van zijn vrolijke banketjes op Hampton Court waarover je zoveel hoort of nog eens een verheffing in de adelstand van Ierenslachters zoals Ginkel, we ergeren ons, ouder en ouder, er moeten methodes zijn er een einde aan te maken, lopen te piekeren onder de heldergroene bomen van jurisdictie langs de Nassauer Allee, wie komt me dan aangelopen: Romswinckel jongeling.
terug naar boven
Totdat hij zelf verdween bleef de hogelijk vereerde Rüttges zich Tuindorp noemen bij ieder die het maar horen wilde – tegen hem was ook geen creatieve therapie bestand geweest. Maar nooit heb ik werkelijk de grond van zijn macht over Van Dam ontdekt, en waarom die macht groter was dan de mijne. Laat staan waarom ik lang over dat soort macht ambieerde te beschikken. Ik wist dat ze met elkaar sliepen, maar of het liefde was blijft me tot op de dag van vandaag een raadsel. Kwam ik ze samen tegen op straat, leken ze eerder broers van elkaar. Geen kwestie van uiterlijk: het spichtige, ijle gelaat van Van Dam vertoonde niet de minste gelijkenis met de strakke kin en de uitdagende blik van Rüttges. Trof ik ze op straat en sprak ik met Olivier, dan was het alsof Rüttges ijl werd, alsof zijn hele bestaan een spichtige schaduw sloeg over de straattegels tussen de etalages en het winkelende publiek.
Ik herinner mij de volgende zinnen, gesproken door Rüttges na zijn lang verbeide terugkeer uit Ierland toen degene met wie hij werkte aan een filmscenario of een toneelstuk of een hoorspel of een roman over de Plooierijen was verdwenen en levenloos was teruggevonden in een gang: ‘Wij kregen beiden last van verhalen. Ze overrompelden ons zodra ze ons verteld werden. Ik was sterk, ik was nuchter, ik hield hem nog vast. Het is allemaal begonnen in Ballyvourney. Met Old Tom. Voor Olivier zal het gemakkelijker zijn geweest om dood te gaan dan ook die verhalen te geloven. Of de verhalen die er nog op volgden. De verhalen die hem eerder hadden belaagd. En die hij ook geloofde. Die beelden opriepen – die wij dan weer moesten geloven. Je weet waar ik op doel. Of hij nu om zeep is geholpen of dat hij simpelweg afscheid heeft genomen. Het maakt niet uit: het zijn de verhalen geweest. Ik ben al die tijd gebleven wie ik was; hij is in alle verhalen, alle vertellingen, alle suggesties van verhalen, in zoveel mogelijk werelden, in zijn baaierd van werelden zichzelf kwijtgeraakt. Het ene verhaal moest nog meer waar zijn dan het andere. Zo werd hijzelf ieder verhaal. Ondanks Old Tom hebben we het land nog doorkruist. Dan 's ochtends, in de dichters-bed & breakfast van de Burren, was hij weg. Er is me nog verteld dat hij langs de weg heeft gestaan, in alle vroegte was hij me ontglipt. Ik denk dat ik wel weet welk verhaal hem uiteindelijk de kop heeft gekost. Je moet begrijpen: alles was een inbreuk, want alles was mogelijkheid. Met de hoerenloperij waartoe hij jou probeerde te verleiden, trachtte hij zijn mogelijkheden in te dammen. Steeds meer kwamen erbij; hij hoefde tenslotte zelf niet te bestaan. Hij plooide zich, zei hij, naar elke schikking. Zoveel pijn kun je hebben als je houdt van verhalen, wacht op zeemeerminnen, of op meisjes die zitten op de rug van een reiger.’
terug naar boven
Was ik misschien de weg kwijt, ik die de wijken rond de vijf oude kerken als geen andere bewoner van de stad uit het hoofd kende? Was het al zover met mij dat zelfs mijn vertrouwde grondgebied uiteenviel in werelden die elkaar niet eens spiegelden, maar - erger nog - in een onophoudelijk duel met elkaar verkeerden? Zoals gisteravond, toen ik de beijzelde trappen was op gegaan en ik even geloofde onderweg te zijn naar de klink van de zware poort in het portaal van de Martinuskerk, maar onder zware slagregens moest ervaren dat ik omhoogging tussen lage huizen, aan weerszijden kandelaars werden aangestoken en boven mijn hoofd huiselijk geroezemoes losbarstte. Die trappen leken niet eens op het kerkportaal. Maar gisteravond was alles nog eenvoudig doordat het zich binnen de kortste keren weer wenste te schikken naar de voorschriften der cartografie, terwijl ik het stellige vermoeden kreeg dat ik daar niet meer op vertrouwen kon. In welke wereld bevond ik mij, welke kaart zou ik uit een knapzak die ik niet bij me had maar waar ik naar verlangde, tevoorschijn moeten halen om het oord te kunnen traceren waar ik mij ophield? Bevond ik mij wel in mijn stad met waterburcht en de honderden witte naamgenoten in de grachten, zijn lusthoven tegen de bergen op?
Misschien moest ik het er maar op wagen en naar binnen gaan. Dan merkte ik vanzelf waar ik was terechtgekomen. Mijn blik gleed over het waaierende kruid dat over de beregende gevelstenen woekerde, een verdwaalde vogelkers: de eironde, op hun kop gezette bladeren drupten na van de vergissing tussen kasseien te willen bloeien. De vensters daarachter vertoonden nog altijd dezelfde onbehouwen wasem van vertier, geschreeuw, gebral. Waarom zou ik hier naar binnen willen? Wat bracht het mij om mij te begeven onder dit slag? Zij waren wel de laatsten die mij de weg konden wijzen naar de vreemdeling in mij aanwezig, al twijfelde ik nog, want moest maar aannemen dat mijn aanbedene niet had gelogen toen zij beweerde dat ook hij zich diep in mij bevond. Dergelijke gedachten werden inmiddels een nutteloze exercitie. De plaats waar ik mij bevond, kon net zo goed in mij als buiten mij zich aan mij voltrekken. Misschien bevond de onbekende zich inderdaad in de luidruchtige taveerne, zat hij wijdbeens te wachten tussen opgezwollen deernen of juist waakzaam voor zich uit te staren, omringd door vermoeide ouderlingen.
Ik begaf mij moediger dan ooit in mijn hele miserabele bestaan naar de hoge smalle donkergroene deur onder het flakkeren van de kaars in een lantaarn die meewiegde op de wind, en onder een overdreven gedruis stootte ik hem open. Ik begreep mijn eigen machteloze bullebakkerij niet, maar wat deed dat er nog toe? De deur sloeg zwaar tegen de muur en ik keek in de verschrikte ogen van twee gedrongen kereltjes met stoppelbaard onder vette mutsen, die zaten aan een tafelblad dat rustte op een ton met zwaar ijzerbeslag. De aardewerken kruiken keken mij ook dreigend genoeg aan, maar de achterste van de twee schoot omhoog en trok een glimmend mes van tussen zijn broekriem. Twee jonge vrouwen met witte kapjes vlogen op hem af, kalmeerden hem en keken nieuwsgierig wat de indringer van plan kon zijn. Ze meenden vast dat ik nauwelijks een gevaar kon vormen. De man met stoppelbaard, die nog altijd vooraan zat, boog het hoofd. Ik twijfelde of ik nu verder naar binnen of juist achteruit moest gaan. Maar warmte nam de huiver weg bij de aanblik van al dat leven om mij heen. Ik zou voor het eerst in mijn leven kunnen genieten van menselijk gezelschap – het althans proberen. Toch bleef ik weifelend op de drempel staan. Ik tuurde naar de krakkemikkige wenteltrap, linksachter in het broeierige hol. Een spichtig meisje hurkte op een van de treden, met zwarte vegen in haar gezicht onder slierend blond haar. Ze gluurde me indringend aan, zoals steeds meer van de aanwezigen, en er werd geroepen, ook door de kastelein: ‘Kom je naar binnen of ga je naar buiten? Gaat die deur dicht of blijft hij de hele avond open?!’ Ik geloof niet dat ik eerder in mijn leven zo verward was geweest over pupillen, wimpers, wenkbrauwen, knipoogjes, gefrons, gelonk. Mijn hand onderzocht op de tast of mijn hart nog bonsde – ja, dat deed het nog, maar raar afgeknepen, dus misschien was het verstandig zo snel mogelijk weg te komen en misschien ooit terug te keren – als ik de kroeg dan nog terugvond. Ik deed wat stappen achteruit. De man bleef spelen met zijn glanzende mes. Een dikke vrouw brulde dat die kale neet eindelijk zijn beslissing had genomen. Inderdaad, ik durfde het aan verwilderd de straat op te vluchten.
Daar bleef ik niet lang alleen. Een van de jonge vrouwen met wit kapje op het hoofd kwam achter mij aan zetten. Ik stond nog na te hijgen, bevoelde krampachtig mijn borstkas, voorovergebogen om mijn braakneiging te onderdrukken. Zij riep: ‘Hallo, meneer. U hebt bij het wegrennen een bos sleutels laten vallen. Ik breng hem graag even terug.’ Ik kon mijn oren niet geloven. Ik voelde mijn sleutelbos in de linkerbroekzak. Ik greep ernaar om ook haar te overtuigen - en ja, daar waren al mijn sleutels, zelfs die van de kelder bij mijn overburen en de sleutel die toegang gaf tot Frederikes geheime kabinet, maar die ze me had verboden ooit te gebruiken. Ik moet de jonge vrouw verdwaasd hebben aangestaard met dat gerinkel in mijn handen. Zij wist niet wat haar te doen stond. Ze wist ook niet of ze het aandurfde dichterbij te komen om me de sleutels die mij niet toebehoorden te overhandigen. Ik wenkte haar met een zwak gebaar. Ze kwam wat beschroomd dichterbij. ‘Alstublieft. Die hebt u werkelijk laten vallen. Het leek me beleefd ze niet te laten liggen, ook al staat er een adres bij.’ Daar had ik nog het minst op gerekend. Ik keek in haar opmerkelijk bleke gezicht met chocoladekleurige mouche op de linkerwang, lichtgroene ogen onder lokjes die uitpiepten onder het mutsje, uitte onhandig mijn dankbaarheid. Zij drentelde niet verder om een beloning, maar net zo verlegen met de situatie als ik maakte ze een halve revérence. Ze bewoog zich met gracieus opgeheven rokken terug de hoek om.
terug naar boven
|