|
Zeehond in wormgat
Nevels orgel
Verpoosd in schaduw
STOA
Het meisje in blauwe zijde
Nee, maar het gebeurt
Deze rouwmoedige schoonheid
Toon Teeken - More is more
Plooierijen van geschik
Wat een romantische droom
|
Uit: Toon Teeken - More is more (2006)
HET SCHILDERIJ IS EEN PINOCCHIO
Zit de man op een trapje, of zit hij op de planken van een vloer, en in wat voor een kamer zit hij dan wel? Je kunt door plank, muur, plafond heenkijken.
Buiten is het nacht. De witte stippen in het zwart van de vensters stammen van een peertje aan het plafond, dat zelf nauwelijks opvalt. De blauwe lussen trekken de aandacht, elektriciteitskabels, gasleidingen, telefoonverbindingen misschien. Rechts van ’s mans hoofd staan in lussen woorden geschreven. Bij enig nader vergelijken valt op dat ook de blauwe lussen zouden kunnen bestaan uit woorden.
Dat het peertje, toch in het perspectivisch brandpunt van de kamer geplaatst, nauwelijks opvalt, wordt wellicht verklaard door de hevige concurrentie die het moet ondergaan: het linkerdeel van dit schilderij wordt gedomineerd door iets als een zon, waar je rechtstreeks in kijkt, alsof je je op zonvakantie er nog van moet vergewissen dat de zon er werkelijk is. Bij zo’n vakantie is een koffer onontbeerlijk. Er staat er een in de kamer, maar hij toont ruimschoots realistischer dan zijn omgeving, alsof hij uit een ander schilderij, een ander oeuvre afkomstig is. Zo is de koffer al bijna weg, of is hij misschien juist terug van weggeweest, kan hij nog niet wennen aan de nieuwe of de oude omgeving. Dus of de man nu werkelijk op weg gaat, de zon wil opzoeken, weg van het miezerige peertje, weg van de verdieping waarvan pijlers langs de muren schieten over een fond van gele, witte…wolken; wensen, luchtkastelen, reisdoelen, verlangens?
Voor het verwezenlijken van wensen komt geld altijd van pas. Deze overweldigende zon is misschien niet eens een zon, met haar golvende randen misschien eerder een gouden obool. Of zijn het de uitstulpingen van een anus? Stinkt het hier naar geld? De man geeft geen uitsluitsel: nog steeds weet ik niet of op het punt staat alles achter zich te laten, of juist wil blijven, mij die lege ruimte tonen: werpt hij er dan net zoveel licht op als de zon op ons? Geld op ons? Zijn aanwezigheid moet wat te zeggen hebben: het schilderij heet zeker niet voor niets , en ook al die woorden kunnen er toch niet zomaar staan, hoe slecht je ze ook lezen kunt?
We spreken hier over een schilderij van Toon Teeken, en de meneer die in dat schilderij vertrekt of juist is aangekomen, op het punt staat om iets te zeggen of wiens woorden voor altijd binnensmonds gemompel blijven of die misschien op het punt staat te worden aangesproken, kijkt en wordt bekeken, die meneer is Marcel Broodthaers, in 1976 overleden kunstenaar en Brussels nazaat van dichter Stéphane Mallarmé. Een van zijn voornaamste werken, La salle blanche, bestaat uit een kamer waarin we mogen binnen kijken om uit te zien op twee donkere vensters achter een peertje dat van het plafond bungelt in een kamer met twee witte muren die bezaaid zijn met woorden. Het is diezelfde kamer die Toon Teeken als motief gebruikt in zijn schilderij, en het is bij lange na niet de enige keer dat hij uit het arsenaal van broodthaersiaanse beelden put. Broodthaers bouwde de kamer als een op zichzelf staand werk in 1975, maar daarmee herinnerde hij aan zijn eigen woonkamer, die hij zes jaar eerder had klaargestoomd voor zijn eerste Musée d’Art Moderne aan huis. In dit imaginaire museum stelde hij, sarcastisch én romantisch, het falen van de moderne kunst onder het gezichtspunt van haar commercialisering tentoon, als een kritische tombe voor de tentoongestelde kisten waarin men kunst vervoert. Bij Broodthaers bleven de kisten echter leeg. La salle blanche vormt nu op zijn beurt de tombe van die oorspronkelijke kamer. Woorden die spreken van de kunst nemen aan de muren definitief de plaats van kunstwerken, de plaats van kisten in. Het licht is armzalig, en voldoet net. Het schilderij van Teeken daarentegen confronteert ons met de zon, wil dus misschien voorbij aan dat magere lampje.
|