welkom werken voorbeelden interview links pers

 

 

 

Zeehond in wormgat

Nevels orgel

Verpoosd in schaduw

STOA

Het meisje in blauwe zijde

Nee, maar het gebeurt

Deze rouwmoedige schoonheid

Toon Teeken - More is more

Plooierijen van geschik

Wat een romantische droom

 

 

 

 

 

 

 

Uit: Het meisje in blauwe zijde (2002)

 

 

Een mannetje was druk doende op een andere akker die afliep. De brommer stond aan de kant van de weg. Een wijde bocht leidde zachtjes over een vriendelijk bultje tussen sierlijke pijnbomen, te sierlijk misschien. Na de kippen die ik niet zag steeg ik omhoog tussen nooit versagende bomen onder een hitte die zich over het weinige dat zich bewegen wilde uitperste.
Na een rul en steil zandpad moest ik verder over een witte rivier: knoestig gekarteld beton, uitgestort in een verval waarbij het stroomt voordat het stolt.
Almaar luider hoorde ik het gegrinnik van de taxichauffeur in mij. Toch kraakte ik maar mooi - mijzelf, als brandkast van de berg. Mijn spieren, mijn botten, dat waren dan de laatste afgebroken stukjes jade.
Het grijs van de Galleria maande tot kalmte. Ik gaapte naar rechthoekige witte kartonnetjes aan de mouwen van colberts, de plooien van rokken, naar prijzen met veIe nullen. Ik duwde me voort tegen korrelig harde golven en verbaasde mij hoe ik, bevangen door een luxe van gedempte charme in het warenhuis, geen moment de effen stoffen aan de oude drang naar haastig geïmproviseerde ontwerpen had bloot willen stellen -zelfs had het mij niet geïnteresseerd of ik van doen had met mousseline, met faille, met melton misschien, met satin feutré. Hoe was het mogelijk dat mij de waardige vrouw met lange donkerblonde haren niet gewezen had op het oude verlangen naar bewegingen in weelde, naar de plooierij van drift rond druiventros en kelken?
Met mijn vlees rond de steeds verder afbrokkelende stukjes jade van mijn skelet zwalkte ik naar de trouwe beek, liet er water binnen gorgelen in mijn plastic fles. Eens temeer stond mijn besluit vast: niet opgeven, al trokken de voetzolen samen, knarsten de knieën, moest ik mijn armen zowat als vleugels gebruiken tegen een onverhoeds achteroverduikelen. Terugvallen (in wat ook) zou ik nog het allerminst. De berg moest maar zinnebeeld zijn, zeggend dat ik niet langer verantwoordelijk was te stellen voor iemands vergissingen uit het verleden, niet die van mijn vader, niet die van mijzelf -al helemaal de wandaden van de ene of andere, mannelijke of vrouwelijke, jonge of oude - Raafs. Ik was het; ik zette de ene voet van mij voor de andere van mij. Hoe hevig het transpireren ook, ik steeg over steile witte golven, voorbij aan zacht wuiven van dicht groen blad, tere stammen die mij eens temeer prehistorisch mochten maken als het ze zo uitkwam. Waar zoveel stond net te beginnen, jeugdig teer, maar weelderig over een bergkom die krachtig mij omsloot. Melancholiek steeg de kam voortvarend echter. De witte golven, verbrokkeld en gestold, grijnsden mij als mijn beenderen aan. Maar die was ik allang kwijt, ingeruild voor jade.

Ik worstelde mij door dichtbegroeide takken naar de beek en vulde mijn fles weer - bij een werkplaats, met veel verlaten hout en staal. In een nog door modder omgeven waterplas lag een wit muiltje met opstaande punt. De vale jeans van meisjes, paraderend langs Wonju's gore panden, passen hen maar net. Het zal hier mode zijn. Achter zo'n knoop schuilt meer lichaam dan achter een notitie in een boek met linnen omslag. Brandkastkraker - wat een praatjes.

 

 

 

Querido/Vantilt

laatste wijziging: 2 januari 2008