Uit: STOA (1997)
| Gestorven ben ik nog niet |
want ik adem nog weetgierig
adem nog te veel en kan bewegen
de voeten hun krachten zal
aan mij het straat oversteken
nog beschreven en
het licht vertrouwen dat valt
op de maskers van de ogen
der agenten aan wie ik ontkwam
in mijn schaamteloze ondergang
lusteloos lavende reconstructie ik
beveiligd in lijven met
schappen porseleinen potten
spraken zij de hoerenkoninginnen met
opperslachters lachend in
wekelijkse ontmoetingen over mij en
namen de rapporten door
bediscussieerden de grafiekjes
van bloeddruk en handelen
in de zieltogendheid van de gedichten
geen behoefte te bevredigen
dan deze aan de waan te
spannen van de zeik
al waar ik daar maal
in notarisappels met bovisten
en de slangendrek roodkoppige
cobra raak mij niet kwijt
marionet ben ik
nimmer dan de geest
van kermissen achter een park
die een waakvlammetje op
vaste regelstand ik
ik bedoel de kantlijn
van mijzelf hospitaal
in kier van
lichaam bestelt en
overblijft in een klem
hetende ik het venster
tot betoverend zuiden
want in ochtendjas van ichtus ik
gratige naar behoefte van kernen
en weerschijn ontmatigt
duivenkak op algenaanslag van
trillepoten op vlekkerig
baardig ook ja
spiegelbeeld
Manu Manu
Manu L
van niks vulde ik
de schare der pikken
en kookte moeders in bloed
was naakter dan ziek en de dingen der waslapjes
ziedende de heren geschapen in ranonkelpakkerij
zwalkende deze graven gehinnikt een hemelse een
placemat voor de schitterende formicabek
niet mijn ziekte ligt ik in
mijn poepgat was een dauwpruik
der kazuifeltjes en kinderkoppen
toornig zo standvastig
in broedsel der voze
hertogen in hoofd
van het gespannen luchtvaatje
MIJN PRET HOEPEKEE IS DEZE ARME SPIEGEL WEL
ik heb het opnieuw over mijn armzalige gezicht en ik
trek het door en ga steels op weg naar de voetbalwedstrijd
op tast door de groene kabinetten van de
oude keizerinnetjes met de gobelins en spinetten
plus vanzelfsprekend ook de automatische papegaaien
dol open en dicht draaiende sluisjes met waaierende essen
en aanhanger geworden van Zankir Raman ik spiedend op
een drafje naar de ingang van de metro mijn nagels
scheuren mijn wangen ze spelen tegen Zankir Fc en die twee
waren ver voor mijn abominabele aankomst in dit spookhuis
van geografische zelfdetonatie de dominerende ploegen
maar Zankir Raman tegenwoordig in zijn gele en groene
doodschopkazuifeltjes de andere doodschopkazuifeltjes
in trainingstechniek spervuurtactiek en liters elastiek
de baas dus siddert mijn huid en mijn orgaan en mijn
wezenlijkste trekje gelijkelijk op met de poeha van het stadion
en ik kan niks anders uitbrengen dan hoera en boeh en
kippenvel is mijn tokkelen op de huid van de grasspriet
| na deze enerverende pot in het Stadion Van De |
Roos Der Verrekking verstoppen de waterkanonnen
en de joelende tanden en vuisten der ijzers en tieten
met geblondeerde kouwe kak de heerlijkheid der straten
en hun burgerschapsgeduld met de eeuwig voorspoedig
zich voortstrontende klotevuilnishoop der menselijkheid
maar geen knokpartij gezien nog niet de minste driftbui
van een klappertjespistool
| ik trok er nog op uit met een van de paleistuinmannen. |
Net zoals ik was hij vol bewondering voor onze doelman,
Ritenow Caïco. Hij was ook vol bewondering voor de
gewone doorsnee-hoeren vanachter de televisietoren.
Ik heb die avond in zijn bewondering gedeeld.
Of is dat vanavond geweest, ik weet het niet meer:
gegevens mag ik nergens achterlaten. Ik kan hooguit
poëzie achterlaten. Zij, met de hangtieten en het
kleine zachtmoedige pukkeltje boven het linkeroog,
grinnikte een beetje. Ze streelde mijn wangen. Ik
begreep er niks van. Ze zei: ?Je bestaat. Je bestaat
dus werkelijk. Jij bent de man die het vaandel moest
dragen.? De dood is blijkbaar een eerbewijs.Manu
Bemoei je niet
met mijn mussen
in jouw houtwal
ik ben grappig
en soms zelfs vrijgevig
onder jouw pony?s
ik laat mijn steentjes
in hun gecirkel
op jouw jonge stier gelijken
en ik betwijfel evenmin
wat ik al graag
had afgeschaft
dus kom je tussentijds
aan mijn boerderij voorbij
dan rijd ik toch nog
jouw melkmachines voor
bemoei jij je maar
met geen houtwal
en glimlach vaker
alsof je dat begrijpt