| welkom | werken | voorbeelden | interview | links | pers | vertalen |
|
Inleiding Koreaanse poëzie Ho Nansorhon
|
Koreaanse poëzie
![]()
Zoals je in Korea wel vaker ziet, staat ook bij het legendarische huis dat de zeventiende-eeuwse dichter
Yun Son-Do bouwde op het zuidwestelijke eiland Pogildo, een voorbeeld uit zijn poëzie in steen uitgebeiteld. De dichtkunst staat in Korea in hoog aanzien. Hoe kan het ook anders? Ook al horen de Koreanen onder de meest toegewijde gebruikers van het Internet ter wereld, de oudste Chinese bronnen noemen de Koreanen als was het een reisgids voor het hedendaagse Korea, reeds 'een volk dat houdt van zang en dans'. En zo werd de Koreaanse dichtkunst dan ook, zoals het hoort, geboren uit religieuze, sjamanitische hymnen, zoals zij bij ceremonies werden gezongen- en gedanst. De dichtkunst gold sindsdien als de meest verheven en ernstigste onder de kunsten- maar bleef altijd doordrenkt van dat lichamelijke, levendige, emotionele van het eerste begin. De Chinese, boeddhistische invloed die zijn werk deed vanaf de vierde eeuw na Christus veranderde daar niet veel aan. Zeker werd ook in de dichtkunst boeddhistisch materiaal overgenomen, maar de Koreaanse vroeg-boeddhistische poëzie is niet op zoek naar gedachteninhouden; nee, zij emotioneert en dramatiseert beelden. Bovendien gebruikte zij daarvoor eigen vormen, met als uitgangspunt een vierregelig gedicht dat uiteindelijk groeide uit een vorm van twee vierregelige strofes, afgesloten met een tweeregelige. Vanaf de 10e eeuw verloor in Korea het boeddhisme aan kracht, en waar de dichtkunst in het verleden de verering van de koningen had genoten, hadden die het uiteindelijk te druk met interne strubbelingen en invallen van de diverse omringende volkeren. Al deze poëzie werd geschreven door edelen, maar zeker ook door mensen uit het volk, mannen, maar zeker ook door vrouwen, en dan met name de 'kisaeng', de Koreaanse courtisanes. En wat was van deze Koreaanse dichters het meest geliefde onderwerp? De liefde, maar dan een liefde die niet van Chinese of Japanse hoffelijkheid, maar van (vaak hevige) emotie is vervuld. Bovendien: vanaf 1446 beschikten Koreaanse dichters over iets wat hun voorvaderen nog niet hadden gekend, en wel, een eigen Koreaans schrift, een alfabet. In opdracht van de grote koning Sejong was dit Koreaanse schrift (oftewel, letterlijk: 'han-gul') ontwikkeld om ook het volk te kunnen bereiken: de edelen schreven in Chinees karakterschrift, maar dat was aan het volk niet besteed. En ook vonden de Koreanen in diezelfde dagen, vijftig jaar eerder dan Gutenberg, de boekdrukkunst met losse letters uit. Maar het oude Korea zou niet lang meer bestaan. Na de verwoestende Japanse invasies aan het einde van de 16e eeuw en de Mantsjoe-invasie van 1635 had het land zich kordaat afgekeerd van de hele wereld, zich voornamelijk met zijn eigen besognes, zijn eigen factiestrijd, zijn eigen vaak hevige volksopstanden beziggehouden. In de twintigste eeuw was dat alles voorbij. In 1910 werd bezegeld wat feitelijk al 20 jaar aan de gang was: Japan koloniseerde officieel Korea. Politiek bewustzijn werd binnen de dichtkunst onontkoombaar. Tegelijkertijd echter drong ook de moderne Westerse dichtkunst tot Korea door: kennisname van het werk van Mallarmé betekende voor de Koreaanse poëzie een absolute schok. De vertaler Kim Ok, die ook verantwoordelijk was voor de eerste bloemlezing Westerse poëzie, propageerde daarin gepassioneerd het vrije vers. Nog de relatieve vrijheid van de oude Koreaanse vormen was in een kwaad daglicht komen te staan. De dichter Kim Sowol introduceerde de versmaten van het Koreaanse volkslied in de verstard geraakte sijo. Vanaf de jaren '20 beleefde de Koreaanse poëzie weer een grote bloei, mede doordat zij, al dan niet uitgesproken, reageerde op de zich almaar verscherpende Japanse repressie. Tegelijkertijd raakte men steeds verder met de laatste ontwikkelingen in de Westerse dichtkunst bekend, iets wat vermoedelijk zonder Japanse kolonisatie minder makkelijk was verlopen. Yi Sang baarde ophef met zijn mathematisch strenge en vaak macabere en toch eigenaardig humoristische poëzie, Chong Ji-Yong verwierf groot succes met zijn door William Blake en Walt Whitman beïnvloede gedichten; iemand als Yi Yuksa maakte van de Japanse kolonisatie een bijna metafysische beproeving- maar geladen van verzet. Sinds de bevrijding in 1945 is de (Zuid-)Koreaanse poëzie vele wegen tegelijk ingeslagen, en heeft ze tegelijkertijd ook zware, duistere tijden moeten overleven. Hoe moet het zijn om poëzie te schrijven in een land als Zuid-Korea dat in '53 na de Korea-Oorlog het armste land ter wereld was, volledig verwoest? Dat vervolgens moest leven met een scheiding die in principe geen Koreaan had gewild? Dat vanaf de jaren '60 tot in de jaren '80 van de 20e eeuw niets en niemand ontziende militaire dictaturen had te verduren? En dat zich tegelijkertijd opwerkte tot een van de leidende industrienaties ter wereld en een welvaart bereikte zoals het land nooit had gekend? Uit het meer dan overvloedige aanbod aan hedendaagse Koreaanse poëzie worden hier zeven naoorlogse Koreaanse dichters gepresenteerd, ieder voor zich met een eigen uitgesproken stem: Ku Sang, Chong Chin-Kyu, Oh Gyu-Won Moon Chong-Hee, Kim Sang-Mi, Ki Hyoung-Do, Cho Chong-Kwon en Yi Won.
In Noord-Korea heeft de Juche-ideologie vanzelfsprekend de dichtkunst niet ongemoeid gelaten. Al in 1953 werd de geschiedenis van de Koreanse literatuur, zoals die tot voor kort eeuwen lang met het Zuiden was gedeeld, naar communistische maatstaven herschreven. Dat wil zeggen: alles wat niet beantwoordde aan de maatstaven van het socialistisch realisme werd verzwegen. Binnen die maatstaven echter bestond er totaan 1960 een levendige Noord-Koreaanse literatuur. Uit het voorafgaande verhaal moge al met al blijken dat de Noord-Koreaanse regering haar volk van zichzelf heeft geperverteerd, als nergens anders ter wereld in de geschiedenis: een van de meest tot individualistische poëzie geneigde volkeren ter wereld is in het noorden het recht op zichzelf ontzegd. Alleen al om die perversie (als ook om al die andere) dient men dit land niet te bezoeken, zolang de situatie daar niet fundamenteel is veranderd.
|