| welkom | werken | voorbeelden | interview | links | pers | vertalen |
|
Inleiding Koreaanse poëzie Ho Nansorhon
|
GELUID 1
Toen ik, alsof ik een geluid hoorde dat er nauwelijks was zomaar het gordijn openschoof, zag ik hoe op de derde verdieping van het gebouw aan de overkant een raam werd geopend en een witte pols naar buiten kwam gestoken die een drietal verwelkte blauwe bloemen de straat op gooide. Na een woest fladderen alsof de blaadjes een tijd in de lucht wilden blijven drijven, vielen ze elk voor zich met verschillende snelheden naar beneden. Ik keerde terug naar de tafel en bladerde door de dichtgevouwen kranten. De vage tinten die niet konden weten wat er met die plek aan de hand was waar hij kort tevoren had gestaan lagen wat bij elkaar. Toen ik het licht aanknipte en op mijn polshorloge keek, waren de wijzers intusssen tot stilstand gekomen. Vruchteloos draaide ik de wijzers een dag terug. Toen ik alsof ik zelfs niet hoefde te luisteren naar het antwoord vroeg “Waar gaat u heen?”, lachte hij luid. Er klonk het geluid van iets wat onder een “Gewoon, de straat op” op weg naar de uitgang van de trap viel. Op tafel waren dicht op elkaar de fijne schaduwen van alle dingen in hun scala van vormen, de bloemen met kaartjes, de vulpen, de asbak enzovoorts zichtbaar; ik wendde mijn hoofd zomaar naar de stoel. Het was er nauwelijks, maar ook deze keer hoorde ik het geluid. Toen ik weer dicht bij het venster kwam, kwam daar zoals de hele tijd al te zien viel een kille klamme wind aan voorbij die de straat tot in zijn kleinste leegte openlegde. Iets bewoog licht alsof het smerige roze gordijn dat in zijn volle lengte met een ‘Waar moet het toch naartoe met die spullen zonder kieren?’ uit het venster hing van het naastgelegen gebouw met zijn twee verdiepingen aan de overkant, diep bedroefd niets zag. Terwijl hij in het kabinetje zijn handschoenen binnenstebuiten keerde alsof hij ze onder het motto “Laat het zoals het is. Is het al niet mooi genoeg dat er iets begint?” in een flits vergat, trok hij ze aan. “Nee, dat wil zeggen dat iets gewoon beweegt.” Een hard stuk stokoud brood keek mij kalm aan alsof ik met die waardige uitdrukking op mijn gezicht niets meer kon uitbrengen. De duisternis en de straat had ik al zo vaak gezien. Ik kwam langzaam omhoog, raakte het plafond aan en zei iets. “Ik zit zo vast als een punaise.” De vage tinten die niet konden weten wat er aan de hand was met die plek waar hij kort tevoren had gestaan lagen wat bij elkaar. “Als er verder niets is, dan hoor je alleen de voetstappen ongewoon goed.” Bij het aanknippen van het licht hoorde ik geluid. Het was het geluid van iets wat los knakte op een plek die mijn hart niet kon kennen. Dat al te vertrouwde geluid was voor mij duidelijk hoorbaar.
NACHTELIJKE SNEEUW
Vaak als jij je binnenste openlegde vroor het als het dooit en waait raken de zilveren draden die van hun plek verschuiven telkens verstrikt in een andere beweging en huilen. Over de aarde lagen verrotte takken met de ogen op een kiertje languit met het gezicht voorover in het ijs. Als de hemel een licht dat zich aan niemand geven kan beetje bij beetje neer hamerde droomde jij dan weer in een of andere kleur van weer een andere liefde? In de woeste en kalme nacht die je ziel nooit in de kleren had gestoken, liet iets wat restte in de bevroren grond je dans zo nu en dan opvliegen in de leegte? Aan de hemel waait de wind op al die plekken waar jij volstrekt aan voorbijging. Ach, een wereld vol schaduwen van populieren, op dat uiteinde zet jij voor het eerst voet en met een temperatuur die niet tot in de dood reikt laat jij weer een andere hemel ronddraaien. Als jij je binnenste openlegt.
DE MUUR VAN HET FORT WAS EEN WOUD
kleurde in de namiddag de hemel rood
een handelaar in snuisterijen ging op zoek naar het woud
nog wonen er boeren in het vredige fort
* |