UIT: HET DAGBOEK VAN DE VELDEN
1.
In het veld ontspruiten de scheuten.
In het veld ontluiken de bladeren
In het veld bloeien de bloesems.
In het veld rijpen de vruchten.
In het veld doen wij
maar boodschappen.
2.
De boer leidt de os
door het veld.
De luchtpijpen van de aarde,
lang verstopt, barsten open.
De borst, lang
vastgevroren, opent zich.
De lentehemel lijk je
in je hand te kunnen houden.
Samen kijken
os en boer omhoog.
De wolk
drijft naar het noorden.
Boeoeh…
Ze schuiven
doorns en ranken aan de kant,
ploegen voort.
3.
Het paartje dat zich drie dagen tevoren
het jawoord gaf wendt zich onderling het gelaat toe gluurt;
betreedt het gerstveld dat van ijspegels knarst
stapt voort.
In de ingekuilde wallen schuiven zij de aarde;
alsof ze hun aanzwellende rusteloze blijde hart verstevigen
stappen ze voetje voor voetje voort.
In het oosten barsten de opkomende zonnestralen in schittering uit,
in het zuiden hangt als nylon gaas een hittewaas,
in het westen bloesemen aan de takken van een afgeleefde boom
rode en gele jasjes die op het hoofd waterkruiken dragen,
en vanuit de schoorstenen op de strooien daken
met speels wat tikjes geel in het noordelijke dorp
walmt ochtendlijk de wierook alom de hoogte in.
Voor de ogen flikkeren in zwermen
eendagsvliegjes als stofjes in een groentekas;
vol koude drukte vliegen kwetterend vogels.
Waar dan ook waart als keutels van jonge kippen
de geur van het jonge groen;
's morgens bij het ontdooien van de aarde,
de ganse wereld ademt liefdevolle schoonheid.
4.
4.
De opa van Kleine Hondendrol
in het hondendrollenveld
neemt keutels uit een strooien mandje
strooit ze in het rond.
Koeienflaters als gierstpannenkoekjes,
paardenkeutels als chrysantvormige dompeldeegjes,
varkenskeutels als briketteneieren,
kippenkeutels als rauwe oesters,
konijnenkeutels als zwarte bonen,
rattenkeutels als wonderbloemzaadjes,
geitenkeutels, ezelkeutels, vossenkeutels,
keutels wat je noemt keutels
liggen over het hele veld verspreid.
Kleine Hondendrol snuffelt met zijn neus
die op de ingewanden van een vis lijkt,
drentelt erop uit:
omlaag gaan zijn afzichtelijke broekspijpen, askleurig,
met plakkerige vlekken van kliekjes gerst en rijst,
in een ruk ontbloot hij zijn billen roze als een azalea,
grommend van inspanning legt hij een hoop.
Ook Slijkgeeltje drentelt naar buiten,
snuffelt met zijn neus die glimt,
gaat langs de voren in het veld,
boordevol tot korst en zweer aaneengekoekte stront,
intussen laat hij zijn plasje druppelen,
legt sputterend een drol, keihard,
rent en kwispelt met de staart,
likt Kleine Hondendrol de kont.
Kleine Hondendrol steekt zijn reet naar de hemel
en grijpt de stok, met ijsbloemen overdekt,
gedompeld in de beerput;
zwaait die wild onder de benen rond,
jaagt hem voor zich uit: jij hond, jij hond.
En steekt de kop op die hij eerst liet hangen en staart,
witte vlekjes in de oogbol, naar de blauwe maan in het derde kwartier
die nog steeds aan het hek van de noordelijke hemel hangt,
tekent in zijn hoofd de hondenstrontmeloenen uit
die afgelopen zomer welhaast smaakten naar honing,
en onder die zo goed als epileptische herinnering
aan bliksemende diarree en donderend verstoorde maag
zwaait hij het hoofd links rechts heen en weer.
Deze keer moet ik er echt maar een, twee, drie,
niet meer dan een paar eten!, zo mompelt hij, drukt
de vingers van de linkerhand op de hand die de stok
stevig vasthoudt, telt tot slot stukje bij beetje
op twee hele vingers, slaat er niet een over.
Op de berg tegenover
de wilde abrikoos volop in bloei, als een strijdkreet!
Van tak tot tak omhoog, omlaag
laat een ekster
keutels vallen als witte maden,
krast, krast, vermaakt zich in zijn eentje.