| welkom | werken | voorbeelden | interview | links | pers | vertalen |
|
Inleiding Koreaanse poëzie Ho Nansorhon
|
Later, als student in Seoul, raakte hij steeds verder doordrongen van de gevolgen van de Japanse rassensegregatie. Het weerspiegelt zich in de sombere toonzetting van zijn poëzie in haar zoektocht naar identiteit. Een gedicht als het hier opgenomen Zelfportret, uit de jaren 1930, spreekt niet alleen van een zoektocht naar de eigen, individuele identiteit, maar ook van de verloren Koreaanse identiteit. Het zijn de dagen waarin de Japanners het de Koreanen ontzeggen Koreaanse namen te dragen, Koreaans te spreken. De poëzie van Yun Dong-Ju heeft haar aanleiding, haar omstandigheden ruimschoots overleefd. De kinderlijke eenvoud, scherpe beknoptheid, rake helderheid doordringen de lezer ook nu van een vervreemding die altijd weer van de lezer spreekt, niet (alleen) van het koloniale Korea.
Zelfportret
ZELFPORTET
Ik loop rond de berg, kom in mijn eentje niet verder dan de afgelegen bron aan de rand van het rijstveld, kijk daar zwijgend in.
In de bron schijnt de maan, drijven wolken, spreidt zich de hemel uit, waait er een blauwe wind en het is er herfstig.
En er is een man.
In het weglopen bedenk ik me, ik krijg medelijden met de man.
Ik erger mij opnieuw aan die man, loop ervandoor.
In de bron schijnt de maan, drijven wolken, spreidt zich de hemel uit, waait er een blauwe wind en het is herfstig, en als een herinnering is daar de man.
DE STRAAT
Ik ben iets kwijt.
ik tast in beide broekzakken,
Eindeloos rijgt zich steen aan steen aan steen,
De muur sluit de ijzeren deur potdicht af,
en de straat trok van de ochtend naar de avond,
Terwijl ik tast langs de stenen muur, betraand
Dat ik over deze grassprietloze straat loop
en dat ik leef, is simpelweg de reden
DE VLOEIENDE STRAAT
In een waas vloeit de mist. De straat vervloeit. Waar vervloeien toch die treinen, auto's, al die wielen heen? Zonder haven om in te ankeren, afgeladen vol met betreurenswaardige mensen, in mist ondergedompeld, de straat,
als ik mij aan de rode brievenbus op de hoek van de straat vastklamp, de vaag glanzende straatlantaarns in het vervloeien van alles, dat ze niet uitdoven, waarvan is dat een symbool? Lieve vriend Park! En Kim! Waar zijn jullie nu? Eindeloos vloeit de mist, “op de ochtend van een nieuwe dag vatten wij elkaar weer innig bij de polsen” hebben wij die letters eenmaal opgeschreven, in de brievenbus gegooid en wakker gelegen van het wachten, dan: in de gouden knoop verzonken in het gouden insigne, de bezorgafdeling die glinstert als een reus, samen met de ochtend vol blijdschap op komst. Vannacht vloeit mist zonder er bij stil te staan.
* |