Chong Ji-Yong
Chong Ji-Yong (1903-1950 (vermoedelijk)) is een van de grote meesters van de moderne Koreaanse poëzie. Hij zette de door Kim Sowol ingezette
verlevendiging van de Koreaanse versregel op uitmuntende wijze voort, en hield nooit op zich te vernieuwen, zich nieuw te oriënteren op het
belang en de betekenis van poëzie.
In eerste instantie verwerkte hij de invloeden die hij als anglicist has opgedaan bij Whitman en Blake tot een poëzie van beweging.
<
De vier gedichten die hier vertaald staan uit de reeks De zee berichten van een overtocht, en daarmee van beweging. Dat was in de Koreaanse poëzie niet echt gebruikelijk meer. Later begon hij, zuchtend onder de Japanse bezetting, in een statiger poëzie te reflecteren op Koreaanse waarden, en zo verschenen de bergen in zijn poëtische blikveld. Ook wordt zijn poëzie gekenmerkt door een vrijelijk gebruik van verschillende idiomen: naast standaard-Koreaans maakt hij net zo goed van dialect als van verheven taal gebruik.
Zijn overlijdensdatum staat niet helemaal vast, maar vermoedelijk is hij aan het begin van de Koreaanse Oorlog bij een Noordelijk bombardement omgekomen. Lang ging het verhaal dat hij vanwege zijn linkse sympathieën naar het Noorden had willen overlopen, maar feit is dat hij wegens zijn linkse opvattingen was gevangen gezet. Samen met 33 anderen kwam hij bij een bombardement om het leven.
Vanwege zijn linkse sympathieën en het verhaal dat hij zou zijn overgelopen mocht hij in Zuid-Korea jarenlang niet gelezen worden.
In 1982 begon op initiatief van zijn zoon een grote groep schrijvers en intellectuelen een beweging voor zijn rehabilitatie.
Zes jaar later was het zo ver: de ban op zijn werk werd opgeheven, een naar hem genoemde stichting werd in het leven geroepen,
en een jaar later werd er zelfs een literaire prijs naar hem vernoemd. Chong Ji-Yong is nu een Koreaanse klassieker, wiens geboortehuis nu museum is.
De zee, 1
De zee, 5
De zee, 8
De zee, 9
*
DE ZEE, 1
O. O. O. O. O. Rent er met een kreet vandoor.
O. O. O. O. O. Komt aanjagen, keer op keer
Afgelopen nacht de zachte sluimer,
gromde in de verte de donder,
was vanochtend de zee
gezwollen in de kleur van druiven.
Spoel, spoelewoel, spoel, spoelewoel, spoel,
dansen tussendoor als zwaluwenvlucht de golven.
*
DE ZEE, 5
De go-steen
bevoelen in mijn handpalm
lijkt me beslist een goede zaak.
Maar ik heb hem recht
de blauwe zee in geslingerd.
Dat de go-steen
met zijn snuit naar voren in zee valt
lijkt me beslist fantastisch.
Jij nu ook,
houd op me te bevoelen,
grijp me bij het oor, smijt me ervandoor.
Dat ook ik, zeg maar 'ik',
met mijn snuit naar voren in zee val,
verfrist beslist.
Het hart van de go-steen
en de roerselen van het mijne,
niemand heeft er een idee van.
*
DE ZEE, 8
De witte wolken
bloeien op,
de wind die lekker ruikt
zit vol,
zeewier bij de bosjes,
de schelpdieren worden vet,
aaaah, zee, van
gember-essence zo kruidig,
nu
zien wij de haai, scherp van snee,
rennen naar de boeg,
gatenkaas van het rood zeil flappert,
met volle kracht de armen!
Speerpunt recht vooruit!
*
DE ZEE, 9
De zee, her en der,
rende er van tussen.
Zwetste geestig
als een zootje groene hagedissen.
Zijn staart kreeg je van zijn leven
niet bij de kladden.
Roder en triester dan het koraal,
de krassen van witte klauwen!
Kwam nauwelijks hoog en verderop,
knipte om de rand reeg het klamme vocht.
Plukte de handen, gewassen
met deze zwaar bevochten zeekaart.
Tot een overvol eroverheen gutsen,
tot een rollen, rond en rond,
kwam met de ogen wijd open omhoog!
De aarde sluit als een lotusbloem... vouwt open...
*