De (onder Koreanen) beroemdste Koreaanse dichter uit de twintigste eeuw zal wel altijd Kim Sowol (1902-1934) blijven.
Terwijl de meeste Koreaanse dichters rondom hem experimenteerden met de verworvenheden van de westerse poëzie, zocht hij
het in het introduceren van ritme en structuur van het volkslied in de traditionele sijo-vorm.
Hij maakte de poëzie levendig, dansbaar en zingbaar, en vervulde haar tegelijkertijd van een grote innigheid.
Hij was afkomstig
uit het noorden van wat nu Noord-Korea is, probeerde in Tokyo te studeren, maar mislukt daar en wist zich ook in Seoul niet te handhaven - waar hij
ook weinig op had met de literaire wereld.
In 1925, het jaar dat zijn eerste enige officiële dichtbundel Azalea's verscheen, keerde hij terug naar zijn geboortestreek.
De laatste jaren van zijn leven was hij verbonden aan de regionale editie van een grote landelijke krant.
Op 24 december 1934 pleegde hij zelfmoord.
Het hier vertaalde gedicht Azalea's is een van de populairste Koreaanse gedichten uit de twintigste eeuw.
Het mag de cynische ironie van de geschiedenis heten dat het in het gedicht opduikende Yongbyon inmiddels de plaats is van de Noord-Koreaanse kernreactor die geacht wordt atoomwapens te produceren..
Het woordje -san in 'Yaksan' staat overigens voor berg.
Nu we het toch over bergen hebben:
in het gedicht het gouden gras is sprake van 'bergen en wateren'. Dat is de letterlijke vertaling van het hier gebruikte woord voor 'landschap (in de wijdst mogelijke zin)'. Het is maar dat u het weet.
Azalea's
Het gouden gras
De weg
*
AZALEA'S
Ga jij op weg
(mijn aanblik staat je tegen)
dan zeg ik je stil vaarwel.
Dan pluk ik azalea's
van de Yaksan-berg bij Yongbyon
een hele arm vol ik strooi ze over je pad.
Wil dan stap voor stap
over de bloemen treden
met zachte lichte tred.
Ga jij op weg
(mijn aanblik staat je tegen)
dan sterf ik niet ik huil evenmin.
*
HET GOUDEN GRAS
Gras
gras
het gouden gras
vuur dat zich diep tussen bergen en wateren hecht
gouden gras over de grafheuvel van mijn liefste.
De lente is gekomen, het lentelicht is gekomen.
Tot bij de wilgen en de ragfijne takken.
Het lentelicht is gekomen, de lentedag is gekomen.
Tot diep tussen de bergen en de wateren, bij het gouden gras.
*
DE WEG
Ook gisteren de hele nacht
slapeloos in een herberg
door het krassen van kraaien.
Waarheen
ga ik vandaag
nog tientallen mijlen?
Tegen de bergen op?
De velden in?
Geen plek die mij graag ziet komen kan nergens naartoe.
Zeg niets: ook bij mij thuis
In Kwaksan bij Chongju
rijden er wagens varen er schepen.
Liefste, midden aan de hemel
die ganzen
reizen die zo fijn omdat er wegen aan de hemel zijn?
Liefste, midden aan de hemel
die ganzen
en ik stond midden op een kruispunt.
Al waren daar wegen waar de wegen
zich in zijwegen en zijwegen splitsten
er was er niet één die ik begaan kon.