|
Inleiding Koreaanse poëzie
Ho Nansorhon
Chong Ch'ol
Kim Sowol
Chong Ji-Yong
Yi Sang
So Chong-Ju
Yun Dong-Ju
Ku Sang
Chong
Chin-Kyu
Oh Gyu-Won
Moon
Chong-Hee
Kim
Sang-Mi
Ki Hyong-Do
Cho Chong-Kwon
Yi Won
|
Chong Ch'ol
De grote klassieke dichter van de Koreaanse poëzie is Chong Ch'ol, die leefde van 1536 tot 1593. Al bestaat het leeuwendeel van zijn verzameld werk uit teksten in het Chinees, zijn poëzie in het Koreaans vormt de ware betekenis van dat oeuvre. Het valt uiteen in enige kasa en een groot aantal sijo. En van die lange kasa-gedichten is 'De zang van Kwandong' in al zijn weelderigheid het ijkpunt geworden van veel poëzie tot in de twintigste eeuw. Het gedicht beschrijft een zwerftocht door de oostelijke provincie
Kwandong (nu: Kangwon) en verbluft, ontroert en beweegt in zijn grootse en weelderige gebaar.
Hierbeneden staat de opening van dit lange gedicht: de volledige vertaling is te vinden in het juni-nummer 2007 van het tijdschrift voor
Chinese literatuur, Het trage vuur. Daar wordt ze voorafgegaan door een
inleiding die ingaat op de rol van dit ene gedicht in de verhouding tussen Chinese en Koreaanse poëzie, maar zeker ook op Chong Ch'ols kleurrijke persoonlijkheid.
DE ZANG VAN KWANDONG (de openingsverzen)
Ziek lag ik in het bamboebos, tussen bergen en meren,
De koning wees mij het bestuur over achthonderd li in Kwandong toe,
Ach, wat een wijsheid, hoe onpeilbaar zijn inzicht,
Ik haast mij door de Poort van de Verlengde Herfst,
Gluur nog naar de Zuiderpoort bij het Feestpaviljoen,
Zeg de koning vaarwel, beland bij een man met jaden tablet,
Wissel van paard bij het station Vlakke Heuvel, volg de Zwarte Rivier,
Waar is de Paddenrivier? Hier rijzen de Patrijzenbergen,
Waarheen stromen de wateren van de Rivier der Heldere Sterren?
Een oude getrouwe verlaat het Hof: wat rest hem nog dan grijze haren?
Ik kan ’s nachts niet slapen in Dongju,
Klim naar de Weidse Bongerd van het Noorden,
Bekijk van de Berg der Drie Toppen de eerste piek,
Op de oude paleisgrond van koning Kungje kwetteren de eksters,
Kennen zij nu wel of niet de wisselgang der tijden?
Zomaar opeens Huiyang, diezelfde naam,
Kan ik Ji Zhangru’s edel voorkomen weer zien?
Op het gouvernement is het veilig, het is maart,
Tot in het Diamantengebergte strekt het pad zich langs de Bloemenbeek uit,
Ik leg mijn reismantel af, stap met wandelstok over het rotsig pad
Langs de Honderd Bekenkloof naar de Tienduizend Watervallengrot,
Zilveren regenbogen, jaden drakenstaarten,
Het mengen, draaien, spuien hoor je tien li verderop,
Luister hoe het dondert, kijk toch hoe het sneeuwt,
Op het Diamantenterras voeden de kraanvogels
van de Onsterfelijken hun jongen op.
Bij de jaden fluit van de lentebries ontwaken zij uit eerste slaap,
Zijdewit op zwarte rok, tussen hemel en aarde omhoog,
Steeds weer pleziert hun spel de Meester van het Westermeer,
Ik kijk op de Kleine en de Grote Wierookbrander neer,
Klim weer naar de Tempel van de Volle Middag
Met het Terras van Ware Rust en ga zitten:
Hier openbaart zich van de berg Lu de ware aanblik,
Ach, Schepper der Dingen, wat een wirwar aan vormen!
Sommige vliegen of springen; andere staan stil of rijzen op,
Als schikten zij lotussen, als bundelden ze witte jade,
Als schopten zij zich van de Oostzee los, als stutten ze de Noordpool,
Het Hoog Verheven Uitzichtpaviljoen, de eenzame Grottenuitzichtpiek
Stuwen door de hemel omhoog, spreken hem toe,
Of de eindeloze tijd in al zijn verstrijken ook wel eens buigt?
O, zijn jullie dat, is er ook maar iets zoals jullie?
Nu weer omhoog naar het Open Gemoedterras,
Uitzien op het Fort van het Alomvattend Geuren,
Helder en duidelijk tel ik twaalfduizend toppen:
De energie van elk van die onderling verbonden toppen,
En van elk van die omwolkte spitsen,
Helder en toch zuiver, zuiver en toch helder,
Breiden hun krachten tot voortreffelijke mensen uit!
Die eindeloze aanblik, in al zijn vormen en kleuren!
Hemel en aarde kwamen tot stand: ze ontsproten vanzelf,
Maar kom ik ze nu bekijken, lopen ze over van gevoel.
Wie kwam er al ooit tot de hoogste richel van Pirobong,
En de Oostelijke Berg of de Berg Tai, welke berg is hoger?
En wij weten toch niet hoe klein het koninkrijk Lu is,
Maar wat is er al niet klein onder het weidse firmament?
Ach, hoe daarvan toch ooit de grenzen te kennen,
Wat is er aan afdalen vreemd, als je verder niet kunt stijgen?
|