welkom werken voorbeelden interview links pers vertalen

 

 

 

Inleiding Koreaanse poëzie

 

Ho Nansorhon

Chong Ch'ol

Kim Sowol

Chong Ji-Yong

Yi Sang

So Chong-Ju

Yun Dong-Ju

Ku Sang

Chong Chin-Kyu

Oh Gyu-Won

Moon Chong-Hee

Kim Sang-Mi

Ki Hyong-Do

Cho Chong-Kwon

Yi Won

 

 

 

 

 

 

 

Ho Nansorhon

 

 

De klassieke dichteres Ho Nansorhon (1563-1589) werd, evenals de in 1551 overleden kunstenares Shin Saimdang, geboren in de omgeving van de stad Kangnung. En precies als Shin Saimdang heette zij een wonderkind. Maar anders dan Shin Saimdang die ook de gelukkige moeder was van de filosoof Yi Yi, trof Ho Nansorhon het ongeluk. Ze trouwde een schuinsmarcherende man die haar uit jaloezie om haar poëtische talent in de steek liet. 

Ho Nansorhon geldt nog altijd als een van de onbetwiste grootheden uit de Koreaanse literatuur. Samen met Chong Ch'ol (1537-1594) bracht zij het toen nog maar honderd jaar oude genre kasa tot bloei. Zij schreef echter slechts twee Koreaanse kasa; het overgrote deel van haar werk is in het Chinees.
Maar ook daar bezigt zij een kleurrijke taal, vol emotie, beeld, gevoel voor detail. Anders dan in haar tijd gebruikelijk, maakte ze rijkelijk gebruik van beeldmateriaal uit taoïstische sferen. De sprookjesachtigheid van haar werk paste alleen daarom al niet in het streng confucianistische Korea van die dagen.

Aan haar status is niets veranderd, al publiceerden in mei 2002 twee Koreaanse literatuurwetenschappers de resultaten van een onderzoek waaruit moest blijken dat Ho Nansorhon een aanzienlijk deel van haar oeuvre niet zelf heeft geschreven. Het auteurschap van het merendeel van haar gedichten kennen zij toe aan haar jongere broer Ho Kyun, beroemd als schrijver van de eerste roman in Koreaans schrift en als revolutionair. Uit het onderzoek moet blijken dat Ho Kyun bij zijn herscheppen van het werk van zijn jong gestorven zus vooral leentjebuur heeft gespeeld bij Chinese klassiekers. Ho Kyun gold als een geheugenkunstenaar die het merendeel van Ho Nansorhons gedichten uit zijn hoofd zou hebben geleerd. Ho Nansorhon die haar dood voorzegd had gezien in een droom, had haar meeste gedichten verbrand. Het duurde dan nog twintig jaar voordat haar oeuvre (ca. 220 gedichten en enig proza) in 1608 in China werd gepubliceerd.

Lucas Hüsgens essay 'De stropoppen van het mysterie'uit de essaybundel Nee, maar het gebeurt is aan Ho Nansorhon gewijd.

In 2003 verscheen in de Cornell East Asia Series een tweetalige, zeer informatieve bloemlezing.

*

DE VIER SEIZOENEN

 

LENTE

Het regent in de hof: abrikozenbloesems vallen in de diepte.
Op de wal met de magnolia zingt de ronddwalende wielewaal.
Lentekou glipt door gordijnen met draden van borduurwerk,
en wierook vervliet van de elfenbergvormige brander.
Is ze eenmaal wakker, maakt het mooie meisje zich weer op.
Op haar riem van geurige zijde ligt ingebreid de mandarijneend.
Haar oprollen van de zware blinden toont het ijsvogelgordijn,
niet echt kwiek speelt ze op de zilveren citer het feniksenlied.
Waarheen ging jij op jouw met goud ingelegde zadel?
Precies aan dit ene venster kwettert de tedere parkiet.
Een vlinder speelt tussen het gras, dwaalt ver door het veld,
danst achter de balustrade, tussen het bloemenfiligraan.
Ze zingen, spelen op een oude fluit in het huis bij de vijver.
De maan beschijnt goede wijn, door goud groot omvangen.
's Nachts valt de vrouw, eenzaam en vol zorgen, niet in slaap,
bij het krieken van de dag bevlekken tranen rode zijde.

ZOMER

De zelkova overschaduwt de aarde, de bloemen schaduwen dun.
Jaden mat en zilveren bed vinden ruimte in het hoge parelen huis.
Aan jasje en rok, wit en van ramie, parelt het zweet aaneen,
op de wind van de zijden waaier wuift het zijden gordijn.
Naast de traptreden van jade bloeit de granaatappelboom.
Zonnestralen schuiven: de schaduw van de blinden trekt scheef.
Onder de spanten lengt de dag: de zwaluw lokt zijn jongen.
In de kruidentuin is niemand; enkel de bijen kwebbelen daar.
's Middags worden van naaien en borduren haar ogen zwaar.
Op het brokaten kussen valt de haarpin van haar dromende hoofd,
en parkietgeel kleven op het voorhoofd de sporen van de slaap.
De dwalende wielewaal wekt uit de droom van de zuideroever.
Over de zuidervijver varen vrouw en vriend met de magnoliaboot.
Ze plukken en plukken lotusbloemen, steken het water weer over.
Roeien luchthartig en zingen 'wij vergaren de waterkastanjes',
verschrikken van tussen de golven een koppel meeuwen.

HERFST

Met het lengen van de nacht dringt kou door het gazen gordijn.
Dauw glijdt over het lege veld, koud is het parelenkamerscherm:
de lotusvijver verwelkt onder de duisternissen van de nacht.
De parasolboom bij de bron verliest blad; herfst zonder schaduw.
Op de wind weerklinkt in het westen de oostelijke waterklok.
Talrijk de ijspegels buiten aan de blinden; nachtinsekten jammeren.
Ze knipt met een gouden schaar blanke zijde van het weefgetouw,
droomt van de Jaden Poort, schrikt: somber het zijden gordijn.
Ze maakt kleren om mee te geven op zijn verre reis:
kaarslicht beschijnt vol liefde en verlangen de donkere muren.
Onder tranen schrijft en verzegelt ze een brief
om bij ochtendlicht per koerier te zenden naar het zuiden.
Brief en kleren drukt ze tegen het lijf, ze betreedt het veld:
in de schemering schitteren de sterren van de Melkweg.
Van het woelen onder de koude dekens kan ze niet slapen.
De ondergaande maan gluurt teder binnen bij het kamerscherm.

WINTER

Lang ligt de koude nacht rond de koperen pot van de waterklok.
De maan beschijnt het gazen gordijn, kil zijn de zijden dekens.
De bronemmer kraakt: de kauwen van het paleis stuiven uiteen.
Door schemertinten overvallen ligt het zolderraam in de schaduw.
De dames, bijeen bij de blinden, gieten de gouden kruiken vol.
Ruw in de hand ligt het jaden vat, maar vol aroma is de rouge.
Ze vaart uit tegen de handen die bergen in de lente tekenden;
de parkiet in de gouden kooi heeft een hekel aan de ochtendvorst.
De twee buurvrouwen giechelen en kwebbelen onder elkaar.
Zijn gelaat, als jade zo mooi, verbleekt in haar gedachten.
Boven de houtskool gloeit het komfoor; ze bespeelt de feniksenfluit.
Geitenkalfjeswijn raakt onder het gordijn omgezet in lentewijn.
Ze leunt en denkt: ben verloochend door de man uit de grensstreek.
Wil te paard, met de gouden speer, wil naar het Blauwe Meer.
Overrompelt dan een wind vol sneeuw en zand mijn zwarte bont,
denk ik gedwee, zakdoek betraand, aan de donkere vrouwenkamer.

*

Querido/Vantilt

 

laatste wijziging: 11 juli 2008