welkom werken voorbeelden interview links pers vertalen

 

 

 

 

 

 

 

Hans Arp

Robert Walser

Ilse Aichinger

Paulus Böhmer

Dieter M. Gräf

 

 

 

 

 

 

 

ROBERT WALSER

 

De Zwitser Robert Walser (1878-1956) schreef een ontzagwekkend oeuvre bij elkaar, dat tijdens zijn leven niet of nauwelijks werd opgemerkt. Hij is inmiddels een van de grootste namen uit de 20e-eeuwse Duitse literatuur.

Walsers thematiek en de geraffineerde kinderlijkheid van zijn vertelstem doen her en der denken aan Nescio, maar zijn dubbelziniger: als lezer weet je nooit zeker of deze romanticus je niet vreselijk in de maling neemt.
Lucas Hüsgen publiceerde in Nee, maar het gebeurt een essay over Robert Walser. Het was de herziene versie van een stuk dat eerder verscheen in yang, 1999/2. Het vergezelde vier vertalingen uit Kleine Dichtungen. Die zijn hier nu herzien. Het gehele kwartet, zoals in yang gepubliceerd, valt aan te treffen op de website van het tijdschrift: hier vindt u dus de herziene versies.

 

 

De heidense steen

Dennentwijg, zakdoek en kalotje

Het liefdespaar

De nachelijke tocht omhoog

*

 

DE HEIDENSE STEEN

 

In het bos dat, omdat het zo mooi is, mij altijd weer naar zich toe trekt, staat onder de hoge, slanke, ernstige dennen een steen die de mensen de heidense steen noemen, een wat zwart, dikbemost blok graniet waar de schooljongens vaak op klimmen, een wonderbaarlijke getuige uit oeroude, wonderbaarlijke tijden, bij wiens eigenaardige aanblik een mens onwillekeurig stilstaat om over het leven na te denken. Stil en hard en groot staat hij daar zomaar midden in het lieve groene knusse bos, gewassen door ontelbare stortregens, verscholen in het gebied van de zwijgende trouwhartige dennen, beeld van het verleden, uitdrukking van de schier eeuwige bestendigheid en als bewijs van de niet uit te denken ouderdom van de aarde. Al vaak heb ik stil gestaan voor de mooie steen, die twee oude wonderlijke dennenbomen opsieren welke op het eerbiedwaardige gesteente voor hun fikse groei een plekje hebben gevonden. Ook vandaag heb ik hem weer gezien en toen ik hem zo zag sprongen mij de volgende stil voor mij uit gemurmelde woorden over de lippen: "Hoe zwak en week en gemakkelijk te verwonden is het leven van de mens toch, vergeleken met jouw leven, jij oude, niet kapot te krijgen steen, jij die leeft van het begin van de wereld tot op nu, die zult leven en staan tot aan het bedenkelijke eind van alle leven. Jou schijnt de ouderdom eerder te verstevigen en te sterken dan aan te vallen en te verzwakken. In de wijde omtrek sterven de gevoelige mensen. De geslachten volgen op de geslachten die als dromen en aan de naakte tere adem verwant opduiken en verdwijnen. Jij bent met geen zwakte bekend. Ongeduld is jou vreemd. Gedachten beroeren je niet en het gevoel treedt nooit tot je nader. En toch leef jij, bezit jij leven, leid jij jouw stenen bestaan. Zeg mij, leef jij?"- Vervuld van zonderlinge vragen vervuld, vervuld van van vermoedens verwijderde ik mij van de merkwaardige oude koppige steenharde kameraad, en ik had het gevoel alsof hij een tovenaar was, alsof het bos door zijn toedoen betoverd was.

 

 

*

 

DENNENTWIJG, ZAKDOEK EN KALOTJE

 

Eens, op een voormiddag besteeg ik de dicht met bos begroeide steile berg. Het was heet weer en de tocht omhoog kostte mij menige zweetdruppel. Het groene woud leek in alle lichtheid en schoonheid een lied. Toen ik boven op de top aankwam, kon ik wat je noemt vrijuit in de witte, omzweemde diepte blikken. Dat deed ik, en ik kon dat heerlijke uitzicht maar niet genoeg aanschouwen. Hoe mooi, hoe weldadig is het uitzicht van een hoge berg. De blik glijdt door de weidse, omfloerste, heldere verte en daalt neer in de wellustige, goddelijk mooie diepte. Een wonderbaarlijk blauw bevond zich aan de hemel. De hemel vervloeide in een zoet blauw, was geheel en al doordrenkt van blauw. Blauw en groen en de gouden zon zijn prachtig op elkaar afgestemd, als een lieflijk, mild, driestemmig, vriendelijk lied, waarin iedere stem zich rond de andere slingert, waarin iedere stem de ander liefkoost en kust, waarin alle drie de zalige en gelukkige stemmen zich winden rond elkaar en elkaar omhelzen. Ik kwam later bij een bankje dat midden in het koele groene hoge dennenwoud stond, en wat zag ik daar liggen? Een dennentwijg, een zakdoekje en een poppenkalotje. Wat stemde mij nu deze nieuwe aanblik weer vrolijk, waar mij eerst de aanblik van hoogte en diepte in de natuur geluk bereid, bedwelmd had en vrolijk gemaakt. "Een kind moet hier geweest zijn en heeft hier die lieve toverspullen laten liggen", zei ik, terwijl mij een glimlach overkwam, tot mezelf. De groene dennentwijg lag zo week op de kinderlijk witte, tere en bleke zakdoek, en het kalotje, wat glimlachte het de oplettende toeschouwer zo vriendelijk, zo naïef toe. "O God, o God", riep het in mij, "wat is de wereld door het bestaan van zoete lieve onschuldige kinderen mooi en voor eeuwig, eeuwig weer goed. Dat de mensen er toch nooit mee op mogen houden en er steeds weer opnieuw mee beginnen mogen in het goede, in de schoonheid, in het grote en in de liefde van de wereld te geloven." Nog wierp ik rap een blik op dennentwijg, zakdoek en kalotje en ik spoedde me voort, want het liep tegen de middag en ik wilde precies om twaalf uur aan de middagdis zijn.

 

 

*

 

HET LIEFDESPAAR

 

Zij en hij gingen samen wandelen. Allerlei bekoorlijke gedachten kwamen hen in het hoofd op, maar ieder hield netjes voor zich wat hij dacht. De dag was mooi, als een kind dat in de wieg of in de armen van zijn moeder ligt en glimlacht. De wereld was samengesteld uit louter helder groen en helder blauw en helder geel. Groen waren de weiden, blauw was de hemel, en geel was het korenveld. Blauw was weer de rivier die zich in de verte, aan de voet van de prettige heuvel, door de lichte, lieve, warme streek slingerde welke, zoals wij reeds hebben aangeduid, van schoonheid en lieflijkheid op een kinderlachje leek. De twee, die door het landschap liepen, zwegen. Hij had haar iets te zeggen, en zij, zij voelde het. Zij liep vol verwachting van wat hij haar ging zeggen naast hem op. Al lang had hij haar willen zeggen wat hij nu wenste te zeggen, en zij had al lang gehoopt at hij haar eindelijk eens zou zeggen wat hem, zoals zij zag, om de lippen zweefde. Een liefdesverklaring, een stotterende, lag hem op de lippen, en zij zag het. Zijn ogen en de toon van zijn stem hadden haar al lang bekend dat hij van haar hield. Ze voelde dat zij bekoorlijk voor hem was en doordat zij dit voelde omspon zij hem met haar bekoorlijkheden almaar verder nog, zonder het bijna te willen. Geef je een meisje te verstaan dat zij mooi is, dan is zij daardoor des te mooier dat jij begrip toont. Nooit is een vrouw zo bekoorlijk als dan, wanneer zij ziet dat zij bekoort. Zodoende dan werd zij die hier liep, enkel maar bekoorlijker, hoe minder zij maar hoefde te vrezen dat het haar aan de kunde en de kracht ontbrak hem die dicht naast haar voortliep, te boeien. Zij beschouwde hem in het geheim reeds als haar gevangene en zij voelde dat zij voor hem de tovertuin was vol verleidelijke geuren, dat zij voor hem het net was in wiens wonderdraden hij zich had verstrikt. Zij was zijn zee, in wier stromingen hij was verdronken – zij was de wet die hij gehoorzaamde. Hij legde nu in plaats van maar wat te zeggen zijn arm rond haar slanke lijf en daarmee was alles al gedaan om het tweetal in even grote mate of mateloosheid gelukkig te maken. Daarmee was alles gezegd wat hij haar al zo lang had willen zeggen en had moeten zeggen, en alles was opgebiecht wat hij aan liefs omwille van haar voelde. Zij kwamen nu in een klein maar wonderbaarlijk bos dat hen een oord van liefde scheen. Het was zo stil, zo groen, zo donker in het bos als in een oeroude kerk. De grond van het bos leek een groen tapijt, een groen bed. Geen vorstelijke zaal in de oude of de nieuwe wereld was ooit zo mooi als dit lieve groene bos dat hen als met weke sprookjesarmen omving. Hier nu ving een zacht, in en in innig en opper-opperzoet kussen aan, als besnavelden en liefkoosden elkaar twee bosvogeltjes in de afgescheidenheid van de wereld, verloren en verborgen in verborgenheden en verlorenheden. Tot op dan een klungel in de liefde, was hij opeens een meester geworden. Hij drukte zijn meisje niet plat en verstikte haar niet met zijn kussen; hij plaatste slechts lip op lip en verbleef zo in een lang, lang hemels branden, de hand heel zacht aan haar haren gelegd. Daar was niets meer dan het bos en de kus, als de stammen in het bos en de twee gelukkige mensen, als de ononderbroken stilte en de ononderbroken zoete, heerlijke kus.

 

 

*

 

DE NACHTELIJKE TOCHT OMHOOG

 

Alles kwam mij zo eigenaardig voor, alsof ik het nooit had gezien en het voor het eerst van mijn leven zag. Ik reed met de spoorwegen door een gebergte. Het was avond, en de zon was zo mooi. De bergen kwamen mij zo groot voor, zo geweldig, en dat waren ze ook. Door hoogte en diepte wordt een land rijk en groot, het wint aan ruimte. Verkwistend kwam op mij de natuur van de bergen ver met zijn hoog oprijzende rotsige vormen en zijn hoog opschietende mooie donkere bossen. Ik zag de smalle wegen zich om de bergen slingeren, zo gracieus, zo rijk aan poëzie. De hemel was helder en hoog, en over de wegen liepen mannen en vrouwen. Tegen de hellingen stonden zo mooi, zo stil de huizen. Een gedicht leek mij dit alles, een oud en heerlijk gedicht, eeuwig nieuw waar het vol leven voortduurde. Toen werd het donkerder. Al gauw schemerden de sterren de diepe zwarte kloof in, en een glanzend witte maan trad aan de hemel. Sneeuwwit was de straat die door de kloven trok. Een diepe vreugde maakte zich van mij meester. Ik was gelukkig dat ik in de bergen was. En de zuivere, frisse, koude lucht. Wat was zij heerlijk. Ik ademde haar vol hartstocht in. Zo reed de trein langzaam verder, en eindelijk stapte ik uit. Ik gaf mijn spullen af en ging nu te voet verder, hoog de bergen in. Het was zo licht en tegelijkertijd zo zwart. De nacht was goddelijk. Hoge dennen rezen voor mij op, bronnen hoorde ik gorgelen en murmelen, dat was zo'n kostelijke melodie, zo'n geheimzinnig zeggen en zingen. Ik zong zelf een lied de nacht in, terwijl ik over de helder verlichte straat steeds hoger steeg. Er dook een dorp op, en dan ging het verder door een behoorlijk duister bos. Ik stootte de voet aan wortels en stenen, en aangezien ik het rechte pad kwijt was geraakt, stootte ik met de wandelkop ook vaak hard tegen de bomen. Maar daar moest ik alleen om lachen. O hoe prachtig was deze eerste nachtelijke tocht omhoog. Alles zo stil. Er lag iets heiligs over alles. De aanblik van de zwarte dennen stemde mij ten diepste blij. Middernacht was het, toen ik boven in het hoge dal aankwam bij het kleine donkere huis, het venster gaf licht. Er wachtte mij iemand op. Wat is dat toch mooi, op een stille ruisende nacht bij een in de woeste natuur hooggelegen eenzame woonst aan te komen, te voet, als een wild voorttrekkende handwerksgezel, en te weten dat je door de een of andere lieverd wordt verwacht. Ik klopte. Een hond begon te blaffen dat het in de verte schalde. Ik hoorde hoe iemand gehaast de trap af kwam lopen. De deur werd geopend. Iemand hield mij de lamp of de lantaarn voor het gezicht. Men herkende mij, o dat was mooi, dat was zo mooi - -

Querido/Vantilt

laatste wijziging: 17 januari 2010