< Duitse literatuur: Hans Arp
welkom werken voorbeelden interview links pers vertalen

 

 

 

 

 

 

 

Hans Arp

Robert Walser

Ilse Aichinger

Paulus Böhmer

Dieter M. Gräf

 

 

 

 

 

 

 

HANS ARP

Hans Arp (1886-1966) staat in Nederland voornamelijk bekend als beeldhouwer en schilder. Voor zover men bekend is met zijn poëzie, blijft dat beperkt tot zijn eerste dadaïstische periode. Daarin heeft hij prachtige poëzie geschreven, maar het is toch goed om de aandacht te vragen voor zijn latere werk.

De gedichten hieronder komen uit die periode. Het prozagedicht Een sierlijk paardje verscheen voor het eerst in 1951, het lange gedicht Tweeklank werd geschreven in de periode 1948-1959.
Beide zijn ze lofdichten aan het adres van de kunstenares Sophie Taeuber, Arps eerste echtgenote die in 1943 aan een koolmonoxydevergifting was overleden.
De gedichten getuigen van hun innige verhouding en maken duidelijk waarom dat onverwachte overlijden zo'n diepe invloed had op het werk van Arp. Sinds die tijd betrok zijn poëzie zich ook steeds meer op de maatschappij, op de algehele vernietiging die hij waarnam en het dreigende gevaar van een nucleaire catastrofe.
Daarbij gaf hij regelmatig uiting aan zijn diepe geloof in engelen. Zijn voornaamste engel echter was en bleef Sophie Taeuber, zoals hier moge blijken.

De gedichten werden in eerste instantie vertaald voor de opening van een tentoonstelling over beider werk bij Museum De Fundatie te Heino in het jaar 2000. Voor de publicatie op deze website werden zij rijkelijk herzien.

 

 

*

 

Een sierlijk paardje

Tweeklank

 

 

EEN SIERLIJK PAARDJE

 

Het was nacht. Ik lag wakker toen ik in het vertrek boven mij een stevige, doffe valpartij hoorde. In de merkwaardige stilte die in dit deel van de wereld nog heerste gaf dat een beangstigend effect. Waarom werd de stilte boven mij plotseling als met een zwaar, gestoffeerd voorwerp verbroken? Die nacht kon ik niet slapen. Ik overdacht mijn dromen. Ik probeerde de verzonken delen van dromen weer te laten herrijzen.

...Een paar van mijn kennissen zijn vooruit gelopen. Ik kom achter ze aan, verlies ze echter snel uit het oog. Ik stap voort door een stadje. Mijn tred is aarzelend. Ik ben bang dat ik mijn kennissen niet meer kan volgen. Ik ben ook bang dat ik de weg die zij nemen, kwijtraak. Hij voert naar beneden en mondt verwarrend uit, en in de diepte zie ik een sierlijk paardje tegen het gesloten vensterluik van een huis opspringen, als wilde hij het vertrappen om in de kamer binnen te dringen...
Weer hoorde ik een net zo stevige, doffe valpartij boven mij. Had zich een zwaar, ongeleid lichaam uit een hoog bed naar beneden laten glijden en had het zijn evenwicht niet kunnen vinden? Misschien lag wel iemand die ziek was of leed hulpeloos op de vloer.
.. Ik bevind mij in een weidse vlakte met water waarin riet staat. Sophie komt mij vanuit de verte tegemoet. Ze draagt nieuwe elegante maatkleding. Sophie herinnert mij echter niet aan Sophie. Ze ziet er anders uit dan Sophie. Ik nodig haar uit voor een reisje. Ze is erg blij met mijn uitnodiging. Ze wil graag een reisje maken naar een plek die ze duidelijk noemt, die ik desondanks niet versta. Dan schiet me te binnen dat ik maar drieduizend franc in mijn portemonnee heb. Stond ik niet op het punt die drieduizend franc te besteden aan een verplichting die ik door Sophies dood had opgelopen? Sophie is dood. Ik wil echter reisjes met haar maken. Sophie is bij mij, is echter een ander dan Sophie. Het is dus toch zoals ik denk. De dingen van deze wereld zijn maar zozo lala aaneengevoegd. Het plafond past niet goed op de muren, en de muren niet goed op de vloer. De vloer verheft zich en zweeft en vliegt met ons weg ... Sophie en ik stappen aan tentoonstellingsgebouwen voorbij. Het zijn stralende, lichte bouwwerken, onder het licht van een mooie Parijse lentedag. Voor een van die tentoonstellingsgebouwen legt zij zich neer, ze strekt zich uit alsof ze uitrust op een strand. Ze lacht guitig en heeft plezier en wijst daarbij op het gebouw achter haar waar op een bordje “Maison Kairo” te lezen staat. Ik lach met haar mee en en zeg haar dat ze een mooie, slimme vriendin is geweest en dat we elkaar zeker weer zullen tegenkomen, waarop ze vriendelijk antwoordt: “ja, in Kairo” ... Ik voelde, en ik kon mij dit gevoel tijdens de nacht waarover ik nu schrijf, goed herinneren, dat dit Kairo niet zozeer in Egypte of een Nieuw-Kairo in Amerika was, maar een Kairo in een eindeloos ver hemels gebied op een eindeloos verre ster. Ach, zelfs onze dromen kunnen niet uit de sfeer van het goddelijke speelgoed weg schommelen. Onze vleugels zijn poppenvleugels. Onze taal is een poppentaal.

... Sophie en ik dansen in een elegante bar. De bar is uitgedost als het binnenste van een oud zeilschip. Waarschijnlijk zijn wij op reis in een oud zeilschip en helemaal niet in een bar. Het schip zeilt in alle rust zo maar wat voor zich heen Sophie is uitermate mooi ...
In het vertrek boven mij hoor ik een wonderlijke plons, alsof een grote bot het hele oppervlak van de vloer boven mij bedekt en zich naar zee terug probeert te haasten. .

 

 

*

 

 

 

 

TWEEKLANK

SOPHIE

Sophie troost mij.
Ik klaag dat steeds meer duistere twijgen zich als traliewerk tussen mij en de diepte van de hemel dringen.
Sophie antwoordt mij dat de hemel door een zacht bloeien moet worden verdiend.

.

De maatverhoudingen van de dingen die ons omgeven, veranderen.
De sneeuwklokjes zijn nu groter dan de volgroeide dennen.
Sophie verjaagt de kolossale leren schaduwen.
Op haar verzoek ademen spookachtig geschminkte lanen met cypressen het duistere in.
Zoals het anker een schip voor een rampzalig afdrijven behoedt, zo redt mij haar droomrekenkunst voor de verscheurde, aan flarden rijtende, razende tijd.
Zij droomt zorgvuldig geordende rijen met klaproosrode, meigroene, blauwgroene cirkels op een zwart fond.
Zij droomt van zijden getallen en hemelsblauwe wegen.

.

Sophie plaatste tegenover de luide veranderlijke wereld de bestendigheid van haar innerlijke hemel.
Zij meed de snelheid van het al te wakkere waken.
De bouw van haar dagen leek op de bouw van haar schilderijen.
Zichtbare muziek liet zij uit lichte diepten opstijgen.
We behoeven immers slechts de zuivere kracht van de droom om te zien hoe het blauw van de hemel zich aan onze voeten neervlijt.
Voor Sophies schilderijen slaat het ijzingwekkende op hol, als was het een spook dat het eerste gekraai van de haan hoort.
Maansikkels schommelen.
Zij schommelen steeds uitgelatener.
Zij schommelen tot zij omslaan en een wilde cirkel worden.
Golfballen springen.
Golven schallen.
Een eindeloze cirkel van golven.
De cirkel van de zee.

.

Sophie barst in een stralend lachen uit. Zeegroene en blauwe wondernietigheden verzamelen zich voor een toernooi.
Het zijn de pretentieuze mijnheren en mevrouwen die Sophie steeds vol grote vrolijkheid tegemoet trad en die zij nooit voldoende kon bewonderen.
Tussen dingen die dor, versplinterd, vervezeld en grauw zijn, fonkelen en schitteren zij in gouden harnassen.
Zij staan stijf van gele vonken, rode bliksems, zwarte sterren.
Sprookjesachtige ridders begroeten elkaar omstandig onder langdradige ceremonies.
Bedroefde mensen in het zwart heb je daaronder maar weinig.
Heraldiek op stelten.
Knobbels met hoorns in een reidans.
Pronkende slurven begroeten stekels.
Harige schilden doen een stepdans.
Zesbenige kronen dansen de csardas.
Sluiers dansen met slepen.
Bochels met lokken zwermen wat rond.
Er wordt hoofdzakelijk gedanst.
Zij dansen en dansen als dol en vol.
Zij dansen en dansen en buitelen om en om.

.

Voor een oud lollig stoeltje koesterde Sophie bijzondere eerbied.
Dat had zo zijn achtergrond waarover zij slechts nu en dan terloops met mij sprak.
Zij vertelde haar stoeltje lange sprookjes waarin het ging over weids sproeiende sierlijke werelden, van klingen als golven, van een lichaamsloze helderheid, en dit had allemaal betrekking op de vroegere eigenares van het stoeltje die zich al lang niet meer bekommerde om het bloeien en verwelken.
Sophie had haar tuin uit het diepst van haar hart lief.
Als die bloeide, bezocht zij hem tussen al haar dromen, al haar werk aan schilderijen door.
Vol zorg begroette zij hem en vol eerbied trad zij iedere afzonderlijke bloem onder bijzondere gebaren, reverences, buigingen tegemoet.
Zij beloofde dat zij hen gelukzalige feeërieke monumenten zou bereiden met haar schilderijen.
Zij gaf de bloemen bijzondere namen: zwaanachtige vlam, vol vertrouwen vervagend licht, maanhoeve.
Als Sophie nadacht, dat wil zeggen, als Sophie droomde, dan nam zij meestal op haar knarsende stoeltje plaats, de trotse burcht van een stelletje houtwormen.
Op haar stoeltje gezeten, vroeg zij aan de nacht: “Wie heeft al die sterren uitgeademd?”
Zij vroeg aan de dag of hij niet op haar lollige stoeltje plaats wilde nemen.
Zij maakte lol met haar lollige stoeltje dat een te hoge leuning en te korte pootjes had en graag proostte zij hem toe met een glas witte wijn dat ze zorgvuldig op smaak had gebracht met het lieve kruid citroengras.

.

Ik beweeg me in een schilderijenbouwsel van Sophie.
Ik wandel als in een droom.
Ik trek voort.
Ik ben tegelijkertijd hier en daar.
Ik ken alle lijnen, alle punten, alle droomuitkijkposten van dit schilderijenbouwsel.
Ik voel Sophies hand nog in de kleinste hoek van haar schilderijenbouwsel, zoals men in het wonderenbouwwerk de hand van meester en tovenaar voelt.
Al had zij me nog maar bedeeld met het ontwerp van deze lieflijke gestrengheid, dan nog zou ik voelen dat zij de hand heeft in dit dromenspel.
Nu word ik omringd door legendes van zinken en stijgen, van delen en hun tegendelen, van donker neerliggen en helder opstaan.
Ik wandel in de droom.
Ik trek voort.
Ik ben tegelijkertijd hier en daar.
Het wit geurt naar blozende viooltjes.
Het zwart geurt naar verblekend smaragd.
... tussen zichtbare liederen.

.

Sophies gevoel voor humor drukte zich vooral uit in de door haar ontworpen dansen en in schalkse pantomimes.
Zij danste een goudvis die al zijn goud verliest en er arm en erbarmelijk vandoor zwemt.
Zij danste de duistere, boosaardige man die zich verveelt en graag zijn eigen tegendeel zou worden, maar niet beslissen kan of hij nu kind of engel moet worden.
Zij danste ook vragen.
Leidt deze weg in de zwarte hemel binnen?
Leidt deze weg in het zwarte binnen?
Wie kent het geweld van de bloemen?
Wie kent er niet de zoete gestrengheid, de zoete onverbiddelijkheid van de bloemen.

.

Zij schilderde de weg die in de cirkel van zonnegoud binnenleidt.
... de weg die in de hemelsblauwe cirkel binnenleidt.
... de weg die leidt naar het hart van het licht.
Zij schilderde haar eigen stem.
Zij schilderde de ruimte rondom haar stem.
Zij schilderde het binnenste van een bloem.
... een cirkel die zich als bloem verkleedt.
... het spoor van wat mooi werd gesproken.
...de baan van de sferenogen.
Droomscepter.
Ademende zuilen.
Blauwe lijnbomen stromen leeg in oneindige ruisende kronen.
Het gestalteloze rekt en strekt en wordt op last van Sophie een droom die met tal van ledematen zweeft en cirkelt.
Het woord droom alleen al ontroerde, bewoog haar, maakte Sophie ten diepste gelukkig.
Zij had de dromen van de sterren lief.
Zij had het bloeien van het hemelsblauw lief.
Zij beluisterde nauwlettend de geurende kleurentaal van planten.
Sophie probeerde in haar schilderijen met de simpelste middelen innerlijk licht te laten oplichten.
... innerlijk licht te scheppen.
Zingende amforen.

.

Veel schilderijen van Sophie zijn verklede bloemen.
Veel van haar tekeningen zijn de verstrengelde lijnwegen die naar het hart van het licht leiden.
Onder een goddelijke, oneindig oplichtende vleugelenboom zit Sophie droomcirkels te schilderen.
De goddelijke vleugelenboom laat van zijn vleugelentwijgen zoet vuur over haar uitvloeien.

.

CIRKELDROMEN

Ontelbare cirkeldromen droomde Sophie.
Een koninklijke cirkel, een hemelsblauw kleinood dat door machtige droomcirkels wordt afgeschermd.
Het schemerend ontwaken van een ademende cirkel.
De echo van een zuivere cirkel.
Cirkels die weer klinken en weerklinken.
Dennengroene cirkels.
Zeegroene cirkels.
Een cirkel met weeën,
een barende cirkel.
De lange weg van de goede cirkel.
De cirkel van het rad.
De cirkel van de munt.
Een cirkel uit denkbare tijden van oer.
De lange weg van de boze cirkel.
De cirkel van een feestelijke bijeenkomst van levende cirkels
die uitbarst in de roep:
“Leve Sophie Taeuber en haar cirkeldromen, hiep hiep hoera!”
Een cirkel waarop naar alle regelen der kunst staat geschreven:
“Lang leve ons aardse licht en onze aardse duisternis!”
Een cirkel, waaruit een eindeloze vleugelenboom groeit
met ontelbare bloeiende lichtende vleugels
waaronder Sophie neergezeten is
en bevleugelde dromen schildert.
Ontelbare cirkeldromen droomde Sophie.

.

 

 

Querido/Vantilt

laatste wijziging: 17 januari 2010