|
Hans Arp
Robert Walser
Ilse Aichinger
Paulus Böhmer
Dieter M. Gräf
|
Ilse Aichinger
De in 1921 geboren Oostenrijkse schrijfster en dichteres Ilse Aichinger is een van de meest bekroonde auteurs uit het Duitse taalgebied. Onder veel meer ontving zij
in 1995 de Grote Oostenrijkse Staatsprijs voor Literatuur.
Nog na 2000 voerde ze een column in de Oostenrijkse krant Der Standard.
Ze debuteerde in 1948 met de ook in het Nederlands vertaalde roman Die grössere Hoffnung en publiceert verder voornamelijk kort proza. Een belangrijk uitgangspunt in haar werk
is de ervaring van de overlevende: half-Joods moest ze meemaken dat haar grootmoeder en haar broers en zusters door de nazi's werden vermoord.
Aichingers werk wordt gekenmerkt door de de scherpte van haar woorden, het geconcentreerd uiteenrijten van beelden, zoals we dat onder andere zien in de
bundel met kort proza, Schlechte Wörter uit 1976.
De hier aangeboden gedichten stammen uit haar enige dichtbundel, Verschenkter Rat, voor het eerst verschenen in 1978. In 1991 verscheen een nieuwe editie met toegevoegde gedichten.
De bundel vormt een van de hoogtepunten uit de Duitse naoorlogse literatuur. Aichingers gedichten lijken op het eerste gezicht eenvoudig, maar de lezer raakt al snel aan
het twijfelen: achter het gedicht lijkt nog iets heel anders aan de hand.
Deze vertalingen zijn hier en daar herzien ten opzichte van hun eerste verschijnen, in Parmentier, nummer 6/3. Dat nummer was gewijd aan 'schatplichtigheid' en
zo zien we in deze keuze gedichten die meer of minder opzichtig naar het werk van anderen verwijzen, of ook de houding van het ik ten opzichte van andermans invloed aan de orde stellen
.
De gedichten staan nu, anders dan in Parmentier, in de volgorde waarin we ze aantreffen in Verschenkter Rat.
Winterantwoord
Het land uit
Zelf gebouwd
Sneeuwvolk
Opsporingsfoto
Ten antwoord
*
WINTERANTWOORD
De wereld is van de stof
die vraagt om beschouwing:
geen ogen meer
om de witte weiden te zien,
geen oren om tussen de takken
het gefladder van de vogels te horen.
Grootmoeder, waar zijn jouw lippen naartoe
om al het gras te proeven,
en wie reikt ons uiteindelijk de hemel aan,
wiens wangen schuren vandaag nog
tot bloedens toe langs de muren in het dorp?
Is het niet een duister woud
waar wij in terechtkwamen?
Nee, grootmoeder, het is niet duister,
ik kan het weten, ik woonde lang
bij de kinderen aan de rand,
en het is ook geen woud.
*
HET LAND UIT
Boeken uit vreemde boekerijen
de aangesterkte duiven.
Kwam het op de oorden aan
die wij in staat zijn
te verlaten,
met hun frambozenstruiken,
de doeken
die zich al in de wind plooien,
ze veranderen in stilte achter onze rug,
terwijl wij blijven,
op de warme ruggen
van de tuinen, stenig
of van zand.
*
ZELF GEBOUWD
Ik wil mijn dorpen
zonder woorden laten
en alleen door de
sneeuw slingeren
en open tegen de hekken.
Vanuit de hoogte van mijn zolders
wil ik de jaguars aanschouwen,
de wolven horen fluiten.
De zon sprong hier weg,
maar de kinderen
ontvangen als ze
leeuwentanden oogsten hulp,
ruim baan voor de koning!
*
SNEEUWVOLK
Ik meng mij niet licht
onder de vreemden van sneeuw
met kolen, bieten, houtwerk,
ik raak ze niet aan,
zolang ze vrolijk pronken,
sommigen met meer gezichten
dan een.
Als dan de kolen
en de bieten vallen,
knopen, knoopsranden,
de rode liplinten,
zie ik ook dat strak aan
en maak geen geluid,
ik vlieg niet te hulp.
Misschien spreken ze
hun Milanees
mooier dan ik,
dat mag niet aan het licht komen.
En daarom stilte,
totdat dit licht hen licht
heeft opgevat
met alles wat zich daar
tussen Milanees
en Milanees verborgen houdt,
dan ook met mij.
*
OPSPORINGSFOTO
Moby Dick:
rabbijn Vingerhoed
is verdronken,
hij is gestorven,
dood.
Hij was geelogig,
met een grote mond,
en de zwarte insignes
zaten hm op de huid.
Moby Dick:
rabbijn Vingerhoed,
zeg het ook aan Ahab
en aan de anderen,
aan de stuurlui
en de harpoeniers,
en zeg het ze snel.
Geef het door,
herinner je.
*
TEN ANTWOORD
In Delhi,
wie daar sterft,
kan niet vallen
Günter Eich
Delhi
achter zich laten,
de vallende ziekte
weer opnemen
Delhi
voor zich brengen,
de verlopen groepen reizigers
langzaam volgen
en zo
de reis op zijn beloop laten,
geluidloos en in ieder geval
en zelfs waar niet langer
te herkennen
|