welkom werken voorbeelden interview links pers

 

 

over Zeehond in wormgat

over Nevels orgel

over STOA

over Verpoosd in schaduw

over het meisje in blauwe zijde

over Nee, maar het gebeurt

over Deze rouwmoedige schoonheid

over Toon Teeken - More is more

over Plooierijen van geschik

over Wat een romantische droom

 

 

 

 

 

 

DE PERS SPREEKT ZICH UIT

 

 

Al vanaf zijn debuut Zeehond in wormgat is Lucas Hüsgen, al dan niet terecht, enigszins omstreden. Willem Kuipers pakte meteen fiks uit: hij beoordeelde hem in De Volkskrant onder meer als "een ernstig geval van avantgarde, die bovendien door het taalgebruik van de academie waarvan hij kennelijk een tik heeft meegekregen een vleugje Nijmegen toevoegt aan zijn zing-zang." En zo ging dat nog even door. Met als dieptepunt een woeste aanval op Hüsgens Limburgse herkomst: "Het lijkt me Limburgs, of een andere taal die in het beschaafde Westen nauwelijks nog wordt gesproken."

 

PRETTIG IRRITANT?

 

Janet Luis in NRC-Handelsblad sprak daarentegen van "Nee, Hüsgen maakt het ons maar ook zichzelf niet bepaald gemakkelijk, en dat laatste valt hem te prijzen. Want hoe vermoeiend zijn debuut soms ook is, bijzonder is het wel en het zet aan het denken over de macht en de onmacht van taal." 'ko' in De Standaard dacht er heel anders over. Hij beschouwde het boek als het product van "een gezwollen geest, die kritiekloos zijn regels spuit alsof naredaktie niet bestaat." En deze tegenstander vond zelf weer een tegenstem in de figuur van bijvoorbeeld Arjan Peters in Vrij Nederland: "Hüsgen praktizeert bij tijd en wijle een hogere vorm van hersengymnastiek die aan waanzin grenst. (...)Maar de gekte van Zeehond in Wormgat wist me in elk geval wel prettig te irriteren." Al met al werd, ook gezien de overige reacties in de pers, bewaarheid wat Geert Swanepoel stelde in de Boekengids, uitgegeven voor de Vlaamse bibliotheken: "Hüsgens spel met de taal zal bij de ene lezer aanslaan en bij de andere scherpe weerstand oproepen."

terug

 

Met het poëziedebuut Nevels orgel ging het, zij op wat gematigder toon, op dezelfde voet verder. Peter de Boer in Trouw bespeurde "tenminste een baldadige, epaterende en zangerige kern die het geheel toch wel body geeft (...) U hoort mij niet klagen, maar Jan Hanlo's 'Oote oote boe' vond ik iets origineler." Overigens is dat natuurlijk niet waar: bijvoorbeeld een dadaпst als Hugo Ball schreef in de jaren '10 van de 20e eeuw al klankgedichten.
Hans Groenewegen hoopte vooral dat dit lange gedicht de opmaat zou vormen voor "een beter en rijper gestemde dichtbundel. Daarin zou hij opnieuw hoog kunnen grijpen, en tevens hoger kunnen uitkomen." Rob Schouten in Vrij Nederland noemde het "een uniek project, veel te interessant om op grond van eerste indrukken ongelezen te blijven." Men was er nog niet helemaal uit, al vond Anneke Brassinga in haar bespreking van Hüsgens optreden ter gelegenheid van zijn nominatie voor de C. Buddingh'-prijs 1994 (toegekend aan F. van Dixhoorn) wel dat "Hüsgen verdient een cd."

 

terug

 

Daar kwam het tot op heden nog niet van. Wel wordt STOA in 1997 in digitale vorm gepubliceerd. De circa 300 pagina's van dit poëzie-project verschenen op een 2HD-diskette. Niet iedereen was hier gelukkig mee. Ruben van Gogh schreef in het Algemeen Dgblad "Als Hüsgen een selectie van zo'n 30 gedichten op papier zou bundelen als The Best of Stoa hoefden we die overige 270 pagina's niet door te worstelen. Onno Blom snakte naar een uitgave in boekvorm omdat STOA toch al een "barre tocht door een ellenlange zuilengang" was. Enig stoпcisme bij het verdragen van grote moeilijkheden was beide recensenten toch vreemd. Paul Demets in Knackzag eerder voordelen: "het is eerder aangewezen om door de tekst te zappen en je eigen bundel te sampelen, omdat de verhalende elementen in de bundel toch altijd worden onderuitgehaald. (...)Dan stuit je op een veelvoud van tonaliteiten en stemmingen, die door hun bevlogenheid bijna aan mystiek doen denken." Arie van den Berg maakte er in NRC-Handelsblad onder de kop Een speeltuin van de geest nog iets mooiers van: "..koop het! Niet omdat het een interessant verzamelobject is, maar om de fascinerende inhoud. Want hoe fragmentarisch en ondoorzichtig dit poëtische vierluik ook is - als lezer zwerf je van verbazing tot ergernis, van wanhoop tot verrukking, van zerk tot lachspiegel door Hüsgens doolhof...Wat Mallarmé niet ter perse kreeg, lijkt hier geslaagd. Al het bestaande stroomt samen in Stoa....Zelden heb ik me als poëzielezer zo thuis gevoeld in een pandemonium."
Van den Berg schaarde zich met andere woorden aan de zijde van Rob Molin die in het Limburgs Dagblad over de bij Uitgeverij Herik verschenen "kleine, mooie bundel" Verpoosd in schaduw opmerkte: "Beslist geen gemakkelijke poëzie, maar wel grensverleggend. In meerdere opzichten!"

terug

 

SPEERPUNT

 

Hoe stond het er vooraf aan de publicatie van Het meisje in blauwe zijde voor? In haar redactioneel stelt de redactie van De Revisor ter inleiding van twee uitvoerige interviews met de genoemde dichters in het jongste nummer, 2001 nummer 3: "Lucas Hüsgen en Astrid Lampe vormen al enkele jaren de speerpunt van de avant-garde in de Nederlandse poëzie." Dat neemt niet weg dat Pieter Nijssen, redacteur van De Arbeiderspers rept van een 'magische orgelpijp' als hij het over Hüsgen heeft in De Groene Amsterdammer. En Piet Gerbrandy, criticus van De Volskrant, rept in datzelfde weekblad van dichters die hun zogenaamd onbegrijpelijke poëzie schrijven vanuit de gedachte dat de wereld te complex is om eenvoudig weer te geven. Volgens hem heeft vanuit die optiek geschreven poëzie heel veel slechte gedichten opgeleverd, onder andere bij Lykophron, Ezra Pound en Hüsgen. Het gaat dus in ieder geval om een traditie die tot in de Klassieke Oudheid reikt: een hele geruststelling. Voor het overige mag men vermoeden dat Hüsgen de handschoen nog wel eens op zal nemen.

 

terug

 

EEN OBSESSIEF KUNSTWERK

 

Het meisje in blauwe zijde, de korte roman uit 2002, moest het stellen zonder aandacht van de landelijke dagbladen. Het had wellicht te maken met de hoge concentratiegraad die het boek volgens Adrie Gorissen in De Limburger scheen te vereisen. Gorissen oordeelde verder uitermate positief, al was het maar omdat Hüsgen "een uitstekend observator is en (..) het dwangmatige en obsessieve van zijn hoofdpersoon heel goed weet uit te beelden". Anderen hadden het wel eens wat moeilijker met het boek. Thomas van den Bergh sprak in de Elsevier van 8 juni 2002, nagenoeg prompt na verschijnen "Dit boek bevestigt het nog altijd bij veel mensen levende vooroordeel dat literatuur verdomde ingewikkeld zou zijn, en dat schrijvers heel erg hun best doen makkelijke dingen ingewikkeld te zeggen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn." Niet iedereen was het daarmee eens, al duurde het even.

In zijn essaybundel De geuren van het verwerpelijke, verschenen maart 2004, wijdt Hugo Bousset de helft van een duo-essay aan dit boek. Dit zeer enthousiaste stuk is een welhaast ideale leesaanwijzer voor Het meisje in blauwe zijde. Bousset richt na een verzuchting van blijdschap dat de roman geen clichématige Vatersuche vertegenwoordigt, ten eerste de aandacht op de vervreemdende stijl en de vele uitingen van "depersonalisatie" die het bij uitstek mogelijk maken om "direct aan te voelen hoe Vincent denkt". Voorts maakt hij duidelijk hoe Vincent Winkelman veroosterst, steeds verder onthecht raakt van zijn ik en het verleden, en misschien zelfs van zijn eigen inzicht dienaangaande. En, niet onbelangrijk, Bousset gaat ook uitgebreid en zeer doeltreffend in op de maatschappelijke problematiek die in het boek wordt aangeroerd. Hij besluit zijn lange loftuiting met "Grom van genot op de wijze van Lucas Hüsgens sjamanen". Kees 't Hart koos eerder echter al een andere benaderingswijze voor een evenzo enthousiaste recensie. In De Groene Amsterdammer van 10 augustus 2002 oordeelde hij: "..Deze rituele stijl verleent aan de roman een sfeer die het lezen ervan laat samenvallen met de zoektocht van de ikfiguur: het verleden laat zich niet makkelijk grijpen, het wijkt van ons, verder en verder. Het is alleen oproepbaar in rituelen en in rituele zinnen, Hüsgen maakt dit tastbaar.... het gaat om de vermenging van stijlen die Hüsgen inzet om een beeld van een land, een dood en een verleden te kunnen geven. Die maken zijn boek tot een kunstwerk."

terug

 

EEN VERLANGEN NAAR ONTEIGENING

 

De Nederlandse schrijvende pers besteedde aan de in 203 verschenen essaybundel Nee, maar het gebeurt geen aandacht.
Bij de Vlaamse pers lag dat gelukkig anders. Het boek kwam twee keer voor in de kolommen van De Standaard. De eerste gelegenheid betrof een recensie door Sofie Gielis, die het boek vergelijkt met de ongeveer tegelijkertijd uitgekomen essaybundel van Ilja Leonard Pfeijffer. Ze wenst zich een essayist die beschikt over de stijl van Pfeijffer en de inhoud van Hüsgen. Vergeleken met Pfeijffer, zijn Hüsgens opvattingen "doordachter, grondiger, maar de interessante inhoud raakt al te vaak bedolven onder barokke taal". Dat is natuurlijk jammer.
Het weerhoudt de Vlaamse criticus Yves T'Sjoen er echter niet van om maanden later in diezelfde krant Nee, maar het gebeurt te laten opduiken in zijn lijstje van vijf aanbevelingen bij de opening van de Antwerpse boekenbeurs.

In de Financieel-Economische Tijd, de Vlaamse krant die inmiddels De Tijd heet, legt criticus Daniël Rovers aan de hand van deze bundel het volgende als Hüsgens literaire doelstelling bloot: "een systeem creëren waarbinnen de weelde kan floreren". Rovers legt veel nadruk op de mystieke, religieuze inslag van Hüsgens bundel, die daarbij echter niet de gemakkelijke weg van het essentialisme inslaat. Wel waarschuwt Rovers voor de plaatsen waar Hüsgen naar zijn opvatting de lezer dreigt buiten te sluiten. Maar dat is wellicht het risico bij een schrijver die schrijft vanuit "het welhaast mystieke verlangen naar onteigening".
Overigens is Hüsgen (die volgens Rovers beslist een oeuvre-schrijver is) al met al de beroerdste niet: alleen al het bestaan van deze "goede, informatieve en onbeschaamd ijdele site" bewijst dat Hüsgen wel degelijk wil communiceren. Waarvan akte!

terug

 

FLITSENDE FILIPPICA'S

 

Deze rouwmoedige schoonheid, de dichtbundel uit 2005, werd genomineerd voor de Ida Gerhardtprijs 2006. Het oordeel van de jury, bestaande uit Anneke Brassinga en Kees 't Hart, vindt u hier.

Ilja Leonard Pfeijffer noemde in NRC Handelsblad Deze rouwmoedige schoonheid als een van de bundels die een nominatie voor de VSB-Prijs 2006 hadden verdiend. Er waren meer positieve oordelen.

Zo laat het internettijdschrift Meander in nummer 281 Rutger H. Cornets de Groot over Deze rouwmoedige schoonheid aan het woord. In zijn diepgravende recensie valt minstens deze passage op: " het is duidelijk dat voor wie zijn dichterschap beschouwt als medium voor het absolutum, eenvoudig geen vergissingen kбn maken. Zo zei ook dezelfde Harry Mulisch immers eens (ik citeer uit het hoofd): 'Ik weet niet wat de dingen die ik schrijf betekenen, maar ik ben onfeilbaar' - een uitspraak die niet zozeer getuigt van grootheidswaan, als wel van een stemming die zich aan deze wereld niets gelegen laat liggen, omdat ze in een ander gebied opereert." Maar er is meer: Cornets de Groot laat zien dat ook voor het werk van Hüsgen, volgens sommigen ietwat ontoegankelijk, geldt: "Poëzie is nooit ontoegankelijk." Immers: Hüsgen ervaart " de verhouding tussen werkelijkheid en poëzie, die hij zo zuiver van elkaar weet te onderscheiden, ten slotte als één en ondeelbaar."

In het juni-nummer van poëzietijdschrift Awater troffen wij eerder een welhaast lyrische recensie van Johan Sonnenschein aan, die evenzeer wezenlijke aspecten blootlegt.
Hij spreekt onder veel meer van de aan het werk inherente "bewegelijkheid", en laat daarbij niet na te wijzen op Hüsgens 'traumaturgica': "de enscenering van een wereld die volop spel en schoonheid biedt, maar waarvan net zo goed de wond wordt getoond". Rouwmoedigheid en schoonheid horen daarin onlosmakelijk bij elkaar: ze houden elkaar scherp. De bundel heet een "alternatieve Rough Guide die niets verklapt en zelf al een reis is". "Flitsende fillipica's" dwingen de lezer zijn gebruikelijke bagage af te leggen. In de ijle ruimte blijkt Hüsgen in zijn element: daar wordt hij een luchtmens, die streeft naar een "ontijdelijke helderheid". De lezer moet er wat voor over hebben, maar dan: "geen verrassend panorama zonder flinke klimpartij".

Arie van den Berg blijkt in NRC Handelsblad daarentegen dermate getroffen door "de vurige bevlogenheid van taal, beeld en ritme" dat hij Hüsgens 'orewoet' op één lijn stelt met die van Hadewych. Ook laat hij daarbij de namen van Sybren Polet en Kees Ouwens vallen. Hij noemt de in deze "speel- en kweltuin van de geest" bijeengebrachte gedichten "poëzie voor echte liefhebbers - raadseltaal voor wie geen antwoorden zoekt, maar zich mee wil laten slepen". Daarbij varieert hij op zijn eerdere recensie van STOA 1997 als hij zegt: "Zoals in zijn eerdere bundels (...) trekt hij daarbij alle registers van stemmen en stemmingen open. Er zijn maar weinig dichters die zo luchtig van exuberantie naar kaalslag, van fluistertoon naar stadionvolume, en van loden ernst naar zelfspot kunnen overschakelen". Zo toont Van den Berg dan ook dat Hüsgens ontregeling hand in hand gaat met tal van communicatieve gebaren en zelfs ronduit begrijpelijke gedichten.

In De Morgen oordeelt Paul Demets ook positief. Hij spreekt eerst van "de lyrische, soms jazzy klankkleur" die de boel aaneen houdt, "de onmiddellijke betekenis" voor een stuk opheft, "om plaats te maken voor datgene wat we met ons normale voorstellingsvermogen niet voor ogen kunnen krijgen, maar er blijft genoeg over dat met beide voeten in de realiteit staat."
Hüsgen "toont ons de beschadigde schoonheid van de werkelijkheid" via "een geslaagd, eigenzinnig huwelijk" tussen Kees Ouwens en Herman Gorter. "Als de dichter al een sjamaan zou kunnen zijn, dan Hüsgen in deze bijzondere bundel."

Jos Joosten merkt in een poëziecolumn uit De Standaard op: "Wie Hüsgen heeft horen voorlezen, leest zijn poëzie anders: hij vertelt niet maar zingt in vaak ijle, licht hese melodieën. Strekking of inhoud komen pas stilaan tot je, bij lezen, denken, herlezen en herdenken - maar alleen het luisteren is al een genot op zich."

Peter Winkels van L1, de Limburgse regionale zender, heeft het wat moeilijk met de nieuwe bundel: die heet helderder en toegankelijker dan het vroegere werk, maar Hüsgen blijft toch cryptisch. Het resulteert in een 6.5 als rapportcijfer.

Dat is in ieder geval nog altijd beter dan de 3 die Deze rouwmoedige schoonheid krijgt van Kees Engelhart op de site van Poëzierapport. We leren uit deze recensie in ieder geval dat het niet zo'n goed idee is het werk van Lucas Hüsgen al badderend ("Gisteren in bad heb je de bundel vluchtig doorgelezen") tot je te nemen.

In hetzelfde nummer waarin Johan Sonnenschein zo positief oordeelde, sprak Piet Gerbrandy in een interview: "..in volstrekt ontoegankelijke poëzie heb ik geen zin. Bijvoorbeeld zo'n Lucas Hüsgen. Dat is een charlatan. Die is volgens mij bewust bezig met rookgordijnen. Dan haak ik na een kwartier al af. Dan denk ik: "Ja jongen, lul maar, ik ga er geen moeite voor doen".

 

terug

 

EEN TINTELENDE COMPLEXITEIT

 

In februari 2006 verschijnt bij Uitgeverij SUN de monografie Toon Teeken - more is more. Het boek begeleidt de inmiddels verstreken overzichtstentoonstelling van Teekens werk in Museum Het Valkhof te Nijmegen.
Lucas Hüsgen droeg aan het boek over de kunstenaar met wie hij al in 1996 samenwerkte voor de bibliofiele uitgave Verpoosd in schaduw, een uitvoerig essay bij onder de titel "Het schilderij is een Pinocchio."

Over Hüsgens bijdrage oordeelt Ben van Melik in zijn rubriek bij de zender L1 als volgt:

Hüsgen "begint met te beschrijven wat hij ziet, maakt zo van het beeld taal, waarmee hij dan alle kanten uit kan in de bibliotheek in zijn hoofd. Dat beschrijven is aanvankelijk verleidelijk helder, maar als hij je ingesponnen heeft, begint het stapelen en verdiepen, inclusief tussendoorse perspectiefjes, en voor je het weet, bevind je je in een tintelende complexiteit waarin alles aan alles raakt."

Ook Erik de Smedt (in De Leeswolf 9/2006) is uitermate positief. Hij gaat uitgebreid in op het werk van Toon Teeken dat hij "een feest voor het denkende oog" noemt. Hüsgens inleidende essay noemt hij "meesterlijk".

 

terug

 

terug

 

EEN OVERWELDIGENDE GEDREVENHEID

 

 

Plooierijen van geschik bereikte de longlist van zowel de Libris Literatuurprijs 2008 als de Gouden Uil 2008.
De persreacties waren daarentegen uitermate verdeeld.

Volgens de enthousiaste recensie van Koen Eykhout in het Limburgs Dagblad is het boek een pendant van de slowfood beweging en juist helemaal niet ontoegankelijk, zoals sommigen beweren. Hij legt verbanden tussen de verschillende verhalen in het boek, legt bloot in hoeverre Hüsgens verhaal over de Plooierijen afwijkt van het officiële verhaal, laat zien hoe sterk het boek op de werkelijkheid betrokken is, maar tegelijkertijd ook een sprookjesboek is. Eykhout sluit af:
Plooierijen van geschik is uniek in zijn polyfonie en weldadig aandoende afwisseling van taal, stijl en ritme. Thomas Rosenboom, Louis Ferron, A.F.Th. van der Heijden en, vooruit dan, William Faulkner, zijn hooguit enige van de referentiekaders om de schittering van het boek te duiden. Heb ik al gezegd dat het grappig is? Ontroerend? Gedurfd? Grensoverschrijdend? [...] Stilistisch knap, omdat het je alle leggers van de taal laat zien? Bij dezen. Maar: lees het volgens de regels van Het Nieuwe Lezen. Woord na woord, zin na zin, alinea na alinea. Voor mijn part luid. En leg het dan even weg. Tijd zat. Slow Reading. Proevend genieten. Van een ernstig spel, gebeeldhouwd in een Nederlands dat er zich niet voor hoeft te schamen mooi te zijn.

Christophe van der Vorst besteedt in Ons Erfdeel een uitvoerige recensie aan de twee laatstverschenen boeken van Hüsgen, die hij beide binnen het perspectief van het oeuvre plaatst.
Ook benadrukt hij de interne coherentie van Plooierijen van geschik, wijst op de handreikingen die Hüsgen in zijn tekst doet, en legt bloot waar het boek zoal over gaat:
In vier 'boeken'(hoofdstukken) ontwikkelt zich een geslaagd wikken en wegen van tientallen stemmen die met hun spreken hun eigen bestaan proberen te begrijpen.

Van der Vorst besluit met:
Niemand ontvlucht zijn lot. We zijn allen onderhevig aan schijnbaar zinloze veranderingen. Als de betekenis ervan eenduidig zou zijn, dan zou samen met het bestaan ook het lezen eensklaps overbodig worden. In Plooierijen van geschik toont Hüsgen met een overweldigende gedrevenheid aan dat we zo'n doodse stilstand gelukkig nog niet hebben bereikt.

Niet onverdeeld positief is Kees 't Hart in De Groene Amsterdammer. Hij opent zijn recensie met een lange litanie over het verschil tussen 'beleefde' en 'onbeleefde' boeken. De roman van Hьsgen is een van die onbeleefde boeken 'waar de ontwikkeling van de romankunst het uiteraard van moet hebben. Zonder onbeleefdheid geen ontwikkeling.'
Toch stoort 't Hart zich in alle veelheid van vertellers met name aan een vermeend gebrek aan 'uitleg of een uitweg, laat staan een handreiking.'
't Hart besluit met opmerkingen die doen vermoeden dat hij toch wat handreikingen is tegengekomen: Hüsgen probeert de theorie van Leibniz over monades, ondeelbare eenheden waaruit de wereld bestaat en waarin het hele universum ligt opgesloten, over te brengen naar romankunst. Vandaar ook zijn probleemloze overspringen van plaats naar plaats en van tijd naar tijd.
In een beschouwing over de Libris-longlist zegt Arjen Fortuin in NRC Handelsblad: ' Misschien wordt Plooierijen van geschik ooit herkend als meesterwerk.' Hij is er zelf, ondanks 'prachtige passages' nog niet aan toe, maar Hüsgen is in ieder geval een van de schrijvers 'die houden van een pleziertje, de lezer mag op het verkeerde been worden gezet.'

In yang publiceert Daniël Rovers een recensie van Plooierijen van geschik. Zijn stuk dat de roman welgezind is, is vooral informatief.

Max Pam in HP/De Tijd beschouwt de Libris-longlistvermelding voor Plooierijen van geschik als bewijs dat de jury 'niet goed snik' is. Zijn argumentatie bestaat uit het napraten van 't Harts slotakkoord en een eerder stuk van Arie Storm, waarover later meer.
Bert van Raemdonck heeft in De Leeswolf waardering voor de 'experimenteerdrift', en neemt aan dat het boek bedoeld is als een schoolvoorbeeld van postmodernistische cliché's.
In een vliegensvlug verschenen bespreking (Het Parool) is Arie Storm de eerste die doet voorkomen alsof de roman louter bestaat uit lange zinnen. Dat is aantoonbaar onjuist.
Ook Elbrich Vreeling doet op
Recensieweb alsof het boek louter uit 'lange, ingewikkelde zinnen' bestaat.
BN De Stem had zelfs moeite met het correct weergeven van de flaptekst.

 

terug

VOLWAARDIGE LITERAIRE CREATIES

 

Dr. D.G. van der Steen, recensent voor NBD/Biblion stelt dat Hüsgen in deze essaybundel 'exclusieve bloemen' leest 'zoals een topkok zijn gerechten componeert.' Ze worden daarbij behandeld als 'wederzijdse vrienden' van lezer en auteur.
Al met al is Wat een romantische droom volgens deze recensent 'intrigerend en uitnodigend van inhoud, fraai van vorm, zorgvuldig geforumleerd.'

Marc Reynebeau levert in De Standaard een signalement van de bundel samen met de essaybundel van Geert Buelens, Oneigenlijk gebruik. Over de betekenis van poëzie.
Hij bespreekt ze vooral vanuit de vraag wat poëzie doet met taal:
Als het goed is, stelt het gedicht de taal weer op scherp door te wijzen op de slijtage en de meestal onbewuste conventies, vooroordelen en eenzijdigheden die er bij het niet-oneigenlijke, dagelijkse gebruik altijd in sluipen.
Dat doet de poëzie niet alleen met de taal zelf, maar vooral met wat daarmee wordt gezegd. Zo creëert ze een universum waarin ruimte bestaat voor expressie, kritiek, reflectie, voor iets nieuws of iets onverwachts, kortom, voor mentale vrijheid. Of zoals het bij Hüsgen heet: 'De wereld vindt bewoonbare schoonheid in de vrije beweging van het gedicht.'

Dirk de Geest schrijft in De Leeswolf: Een essay van zijn hand kan moeiteloos een aanvang nemen bij een jazzregistratie om te eindigen bij een boek of de zoveelste film. In dit opzicht zijn deze essays volwaardige literaire creaties, die je als lezer met ingehouden adem leest. Hüsgen is nl. een briljant, barok stilist. Het een en ander resulteert volgens De Geest in Een boek dat geen gulzige of gerichte lectuur toelaat maar net daardoor belangrijk blijft, als pleidooi voor de kunst en als kunstuiting.

Met een diepgaande, positieve bespreking in de Poëziekrant laat Bertram Mourits zien dat dit pleidooi bij Hüsgen niet weinig dubbelzinnig is. Ook al lijken de kunsten het domein van de door Hüsgen nagestreefde 'mentale bewegingsvrijheid', eenmaal afgezet tegen de ecologisch getinte achtergrond van veel van Hüsgens essays, ontstaat een ander beeld:
De romantische droom is unheimisch en Hüsgen laat het ongemakkelijke in zijn volle bedreigende omvang zien.

Mourits besluit zijn verhaal met
Het toevluchtsoord van een dichter die niet vrij kan leven, is ons voorland. Een grimmiger verdediging van poëzie is niet denkbaar: binnenkort hebben we niets anders meer.

Christophe van der Vorst bespreekt in Ons Erfdeel niet alleen Plooierijen van geschik, maar ook Wat een romantische droom.
Zijn uitvoerige analyse eindigt als volgt:
In elk van deze essays onderzoekt Hüsgen een hardnekkige illusie, houdt hij zijn eigen dromen tegen het licht en ondergraaft hij wijdverbreide vooroordelen. Deze aanpak maakt de bundel coherent want er zit een heldere thematische lijn in zijn betoog: het schromelijke tekort aan kritiek. Zijn analyses zijn overtuigend, ongewoon en voorzien van humor. Belangrijker nog is zijn ambitie. Hüsgen betracht het onmogelijke wanneer hij schijnbaar onverzoenbare fenomenen met elkaar in dialoog laat treden'

 

terug

 

 

 

Querido/Vantilt

 

laatste wijziging: 25 oktober 2009