welkom werken voorbeelden interview links pers

 

 

 

 

 

 

 

Inmiddels is in Parmentier een uitvoerig interview verschenen, waarin Lucas Hüsgen uitgebreid antwoord geeft op scherpzinnige vragen van Parmentier-redacteur Arnoud van Adrichem. Te zijner tijd zullen uit dat interview fragmenten worden gepubliceerd op deze pagina. Tot die tijd vindt u hier in ieder geval fragmenten uit het interview dat De Revisor plaatste in nummer 2001/3. Ilja Leonard Pfeijffer spreekt daar met Lucas Hüsgen.

 

KLUKKLUK STAAT TE GRIENEN VAN DE PIJN IN ZIJN LINKERVOET

 

De eerste indruk die jouw poëzie op mij maakt als argeloze lezer is pure chaos. Het lijkt dat jij je verzet tegen elke vorm van gebruikelijke orde. Waarom jaag je de lezer zo tegen jezelf in het harnas?

Dat harnas is de grote verbijstering van mijn dichterschap. Ik wou de mensen eigenlijk alleen maar een plezier doen. Want wat ik heb nagestreefd is iets heel simpels. Als kinderen hadden mijn jongere broer en ik een grote speelkamer, met allerlei speelgoed. Zo hadden we plastic riddertjes met een kasteel, een gevaarlijke schare kruisvaarders, een setje figuren uit de kinderserie Pipo de Clown van destijds, een immens pakhuis, bergen autootjes, lego-blokjes waar je van alles en nog wat mee kon maken, een setje treinen met rails en huisjes, Disney-figuurtjes en nog zo het een en ander. Die Disney-figuren konden net zo makkelijk overweg met de circusfiguren als met de riddertjes, of met de zogeheten ?mannetjes? die we maakten van lego-blokjes.

<.....>

Dat mengen van werelden vond ik het allermooiste maar eigenlijk vooral heel gewoon, en toen ik op de middelbare school vooral via Rodenko in aanraking kwam met Rimbaud, het surrealisme, Van Ostaijen, Lucebert etcetera, zag ik dat als een voortzetting van al die genoeglijke uren op de speelkamer. Maar ik had beter moeten weten: andere speelkameraadjes dan mijn broer begrepen er destijds al helemaal niks van.
<.....>

In zijn recente studie De verstoorde lezer. Over de onbegrijpelijke poëzie van Lucebert noemt Thomas Vaessens jou als een van de hedendaagse dichters die, in navolging van Lucebert, de lezer willens en wetens van zich willen verveemden. Maar dat is dus helemaal niet waar. Je nodigt iedereen uit op je speelzolder en bent verbijsterd dat er niemand komt opdagen. Ben je boos op al die domme kutjochies die niet met jouw taalkastelen kunnen spelen en veracht je hen, of ben je gewoon, zoals alle dichters, teleurgesteld?

Het probleem met zulke opvattingen is dat ze ontregeling presenteren als een alleenzaligmakend doel, en dat is voor iedere schrijver een veel te magere drijfveer om al de noodzakelijke inzet te blijven geven. Los daarvan, het moge duidelijk zijn, er schuilt in mij een onverhoedse kankerpit, maar tegelijkertijd weet ik welke risico?s ik willens en wetens heb gelopen. Als middelbaar scholier vond ik het tenslotte romantisch om miskend dichter te worden, dus iedere keer als er weer eens wat misgaat, houd ik me voor dat ik juist enthousiast moet juichen. Maar natuurlijk ben ik wel eens boos. Alleen: sommige dingen hebben tijd nodig, en je moet niet te veel verwachten

<.....>

Ondanks de woeste schijn van het tegendeel is er een almaar grotere hang naar veiligheid in de welvarende delen van de wereld, een diep verlangen naar een prettig decor ook. Dat heeft mijn poëzie niet te bieden: ik blijf koppig denken aan wat er achter dat decor zit. Alsof de wereld voor veel mensen nog altijd veel te groot is trouwens, juist nu ze volgens 1001 denkers van deze tijd zo klein zou moeten lijken.

Wat wil je liever zijn, denker of magiër?

Geen van beiden, althans zoals het er nu voor staat. De dichter van nu is niet meer de dichter die hij was tot en met Vederbeds Lumière dat zo?n twee jaar geleden werd afgesloten. Totaan dat voltooien was ik waarschijnlijk het liefste iets dat in de buurt van de magiër lag, of een geïntensiveerd verlengde van iets wat op een denker had willen lijken. Ik heb ooit naarstige pogingen ondernomen om filosofie te studeren, en wilde dan in de poëzie iets bereiken wat voorbij de filosofie lag, zich met name onttrok aan het transcendentaal subject van Kant, en werelden imiteerde zoals ze eventueel zouden kunnen zijn binnen de monade zoals Leibniz die aanneemt. Maar let op de omzichtigheden die ik hier gebruik ...

<.....>

Sommige van jouw gedichten vind ik erg grappig en om te lachen. Is dat een belediging?

Nee hoor, allerminst, ik zou juist zeggen: hartelijk dank, blij dat ik je laat lachen. Dat is in optima forma, vergeet dat niet, Mickey Mouse die meelzakken slingert naar lastige kruisvaarders, terwijl de treintjes ronddazen, en Klukkluk staat te grienen van de pijn in zijn linkervoet. En bovendien, ik sta altijd zeer sceptisch ten opzichte van het gewicht dat de literaire wereld aan zichzelf toekent, terwijl er, ik noem maar eens een stuitend feit uit de boze grotemensenwereld, in de eerstkomende jaren in Afrika en de voormalige Sovjet-Unie ettelijke miljoenen aan AIDS zullen sterven, en dat alleen maar omdat de farmaceutische industrie zich voor die gebieden niet of nauwelijks interesseert. Maar lachen om mijn gedichten verandert daar ook niks aan. Huilen trouwens ook niet.

Zou je dat wel willen? Ben je een geëngageerd dichter die het engagement heeft opgegeven omdat je hebt gemerkt dat het niets uithaalt?

Natuurlijk is poëzie niet de juiste plek om al te expliciet en eenduidig uiting te geven aan enige vorm van engagement: haar kracht schuilt juist in de ruimte die de woorden elkaar vergunnen, in de bewegingsvrijheid, loze muren, en het regelrechte engagement staat daar haaks op, zegt ?een muur is een muur, en daarmee uit.? Engagement neem ik dus liefst in de breedst mogelijke zin van het woord: als een toegewijde interesse in de wereld, vooral ook een interesse in, zoals David Thomas van Pere Ubu dat ooit zong op The art of walking, ?The smallest points, the finest details, they all add up?. En maar doortellen, daar weer zo veel mogelijk ruimte aan geven , bijvoorbeeld omdat we in het huidige tijdsgewricht woedend zouden moeten zijn om de manier waarop het Fort Europa dag na dag verder wordt verstevigd, de legale ?Ausgrenzung? van het vreemde, die bijna psychotische mentaliteit die ertoe leidt dat zo?n beetje de hele Nederlandse marine, vergezeld van het NOS-Journaal, uitrukt zodra Nederland door de Franse douane gewaarschuwd wordt voor een van mensensmokkel verdacht schip. Alsof de Russen eindelijk komen, maar uiteindelijk zit er helemaal niemand op die roestbak.

<.....>

Dat soort dingen ? als je je daar zoals ik regelmatig over druk maakt, moet je heel wat poëzie-pilletjes slikken om inderdaad geen ?Misery goat? te worden, zoals David Thomas dat op diezelfde plaat noemt, wat toen in 1980 trouwens een immense daad van verzet was. Dat engagement heeft me mede gevormd, terwijl iedereen wacht op de Bom toch willen zingen: ?the birdies are saying what I wanna say.? Wat trouwens allemaal niet wil zeggen dat ik in het dagelijks leven een toonbeeld van rechtvaardigheid ben, zeker niet.

Het valt op aan jouw gedichten dat jij een groot belang hecht aan klankeffecten. Waarom doe je zoveel moeite voor de klank van je verzen?

Het simpelste antwoord zou zijn: ik vind het mooi, ik houd ervan. Een minder simpel antwoord is dat de aloude lyrische klank datgene is wat de klaarblijkelijk schijnbare warboel voor de lezer bij elkaar moet houden. En ook heeft die klank een incantatorische opzet, want je wil bij het schrijven toch zacht gezegd iets voelen, iets beleven, in alle helderheid zelfs worden opgeheven ? omhoog naar iets onbestaanbaars, of helemaal weg. Maar al die klanken en kleuren, ze zijn niets zonder ritmiek. Het ritme is onontkoombaar de grondslag.

Dus je bent niet zozeer magiër of denker, maar veeleer een soort hogepriester die de gelovigen op het ritme van klankrijk Latijn wil bezweren en vervoeren naar het hogere. Of een medicijnman die bezeten door het ritme van de trommels in contact treedt met de geesten.

De laatste jaren ben ik gefascineerd geraakt door de Koreaanse cultuur, en al hebben veel mensen nog altijd het idee dat Koreanen eigenlijk twaalf uur per dag niks anders doen dan Hyundai-auto?s bouwen, ze houden er daar bijvoorbeeld toch maar mooi een indrukwekkend complex aan sjamanitische rituelen op na. Als ik al iets in die richting zou moeten willen zijn, dan liefst zo?n heel ritueel in mijn eentje. Zo heb ik in 1999 in Kangnung aan de Zuid-Koreaanse oostkust vijf dagen lang het Tano-festival meegemaakt. Dat is een feest om de gunst van de goden af te smeken over de aanstaande oogst. Het heeft een centraal ritueel dat vijf dagen duurt (iedere dag van elf tot elf), en daaromheen zijn er tal van andere voorstellingen van traditionele Koreaanse cultuur, al dan niet gemoderniseerd, waaronder ook weer sjamanen uit andere streken. Ik wil niet per se zeggen dat ik geloof in goden en geesten, maar was ik god of geest, dan moest ik wel een heel erge windbuil wezen om me door zo?n ritueel niet te laten vermurwen.

<.....>

ergens probeer je toch in alle mogelijke intensiteit goden gunstig te stemmen wier bestaan je zacht gezegd toch wel enigszins betwijfelt. Maar ja, met Pascal, stel je voor, ze zijn er, en wij verontachtzamen ze ... Dus, hoe dan ook, we kunnen maar beter voort ? langs the smallest points, the finest details ... Daar zijn er verdomde veel van. Immers, als er dan al goden zijn, dan hebben ze dat volgens mij te vertellen.

laatste wijziging: 4 april 2006