Hanz Mirck bespreekt de bundel voor KCG Literatuur onder de kop 'Compromisloze poëzie van Lucas Hüsgen'. Daarin legt
hij onder meer de zelfspot van Hüsgen bloot. En daarbij blijft het niet. Aan de hand van een fragment uit de bundel besluit hij:
Dit kleine stukje gedicht hierboven is het beginnetje van een schil die je kunt afpellen van het sprookjesachtige en barokke universum van Hüsgen. Hij dwingt je zijn zinnen anders te lezen, anders te kijken naar de taalfilm die hij je toont en beloont ons met een prachtig schouwspel en een verrijking van de geest. Het is veel, dat weet ik, 140 pagina’s van de barokke poëzie, maar daaruit blijkt dat Hüsgen een compromisloos dichter is, en dat siert hem.
Samuel Vriezen legt de bundel voor De Reactor onder het vergrootglas.
In een uitvoerige analyse laat hij zien hoe de bundel in elkaar steekt. Hij behandelt de architectuur, de ritmiek, de diversiteit van thema's. En ook al zou je zeggen
dat bij alle blootgelegde veelheid elke poging om een achterliggend verhaal of these eruit te destilleren tekort moet schieten , onderneemt hij toch een diepgaande
poging tot duiding. Hij ontdekt dat deze poëzie de paradoxale verhouding van de mens tot de natuur weerspiegelt: de mens stelt zich tegenover de natuur op, terwijl hij tegelijk zelf een natuurverschijnsel is.
Vriezen besluit:
Vederbeds Lumière is een natuurfilosofische praktijkoefening die de lezer wil uitnodigen om die paradox te doorbreken. Wie daartoe bereid is wacht een fantastisch rijk en meeslepend avontuur en een inzicht in de complexe verhouding tussen mens en natuur, waar geen 3-D spektakelfilm tegenop kan.
Piet Gerbrandy begaat in de papieren editie van De Groene Amsterdammer een voorzichtige volte face.
Hij vertelt dat hij het werk van Hüsgen jarenlang niet meer dan pretentieus geneuzel vond. Maar de twijfel bleef knagen, immers
Hüsgen is een erudiet man die bij vlagen heel verstandige dingen over poëzie zegt. Zou ik me vergissen? Las ik zijn werk misschien verkeerd?
Zo onderneemt hij nu een serieuze poging. En het schijnt mee te vallen. Hij ziet positieve aspecten, prijst zelfs een enkel gedicht, al is hij nog
niet helemaal tevreden. Hij besluit: Deze dichter ziet de poëzie als een streng project dat zich niet leent tot ontspannen consumptie. Zou het niet mogelijk zijn
zonder verlies van integriteit iets meer lyriek toe te laten? Is genieten van iets moois en eenvoudigs zo abject? Hoe dat ook zij, het woord 'integriteit' is toch een heel ander dan het vroeger
door Gerbrandy eens gebezigde 'charlatan'.
De Groene Amsterdammer pakt overigens groots uit. Op de website bekent Erik Lindner nog nooit iets van Hüsgen
te hebben gelezen. In een tekst die uitdrukkelijk geen recensie wil zijn, tracht hij aan de hand van Vederbeds Lumière iets te zeggen over de intenties van
hermetische poëzie, en over de manier waarop zij zou moeten worden gelezen. Misschien, zo lijkt Lindner te zeggen, zouden lezers van hermetische poëzie zich minder gelegen moeten laten liggen
aan het adagium van Nijhoff, 'Lees maar, er staat niet wat er staat'.
De uitermate positieve recensie van Arie van den Berg in NRC Handelsblad legt de emotionele grondtoon van de bundel bloot. Hij noemt Vederbeds Lumière
een fata morgana vol wanhoop. Daarbij roert hij ook het opduiken van Keyser Söze, de fictieve misdadiger met duivelse trekken uit The Usual Suspects, aan.
Al met al is deze bundel van doelgerichte chaos, waar verhalen steevast de draad kwijtraken, een duizelingwekkend meerzinnig universum en een kwelsprookje. Maar dat is niet erg, immers:
Zijn taal, beeld en ritme hebben de vleugels van een prachtglansspreeuw.