Uit: het juryrapport Ida Gerhardtprijs 2006
Anneke Brassinga en Kees 't Hart
De bundel van Hüsgen laat zich lezen als een ontdekkingsreis. Een dynamisch, speels verspringen tussen abstracties en zintuiglijkheden prikkelt de lezer te proberen de teksten binnen te gaan als nieuwe belevingswerelden, die uitdrukkelijk niet in het ego van de dichter wortelen, maar in de door ons allen gedeelde buitenwereld, ofwel de moderniteit. Nuchtere, montere geheimtaal bezigt Hüsgen, hij spreekt ons aan op wat er binnen de starheid van ons tot individualiteit gereduceerde zelfbesef nog mogelijk is aan, als realiteiten te kenschetsen, bevrijdende gewaarwordingen. Alles in zijn poëzie is in beweging, is in heldere, door een landschappelijkheid voortgaande gedachtensprong op weg naar, bij voorbeeld, schoonheid, of een sierlijke vorm van naastenliefde: ‘Ritme ener slapenden wil zij met mij gaan wuiven in onze slapende bus?’ Hüsgens taal stijgt vermetel naar toppen van gekunsteldheid die veel eisen van de lezer maar in al hun muzikaliteit zo verleidelijk en geestig zijn dat we losraken van iedere geijkte redeneertrant of poëtische traditie. Daarbij worden ongekende feiten onthuld ‘alsof/ de touwen van de vele kunstwerken die ons wegleiden van het vertrouwen/ zich ontlokken aan de kieren van het langzaam gedachte// dat aan alle zichtbaarheden eigen/ voor jou aan ons heksenarbeid toekent en uitlegt aan de roodgeblokte,/ kleiner in invidualiteiten tot dit canaille. Ijle acrobatiek// trapt er in de theoretiseringen van korrel en leem: emeritaat/ van de omjouwde zichtbaarheid - `.
Er zijn maatschappelijke, kritische geluiden te horen in deze poëzie, in gedragen, vermanende toon, die een mengeling van ironie en woede tot uitdrukking brengt. Er is bovenal een pleidooi voor een ruimere blik dan die van het “ik”, dat zich ten volle rechtvaardigt en verwezenlijkt, exemplarisch, in de teksten zelf, in hun doodgemoedereerde, dansante ernst.